Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:16947

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 augustus 2025
Publicatiedatum
15 september 2025
Zaaknummer
C/09/689213 / JE RK 25-1336
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in gezinshuis

De rechtbank Den Haag behandelde op 14 augustus 2025 het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die sinds juni 2021 in een gezinshuis verblijft. De gecertificeerde instelling verzocht om verlenging vanwege de ernstige bedreiging van de ontwikkeling van het kind, ondanks positieve ontwikkelingen. De vader verblijft in een forensische psychiatrische kliniek en is niet in staat adequaat op de behoeften van de minderjarige in te spelen. De moeder kampt met beperkte draagkracht en onregelmatig contact.

De kinderrechter constateerde dat de gronden voor ondertoezichtstelling nog steeds aanwezig zijn en dat de doelen van de eerdere ondertoezichtstelling niet zijn bereikt. De minderjarige heeft een bovengemiddelde behoefte aan structuur, veiligheid en traumasensitieve opvoeding, welke zij in het gezinshuis ontvangt. Er zijn zorgen over het contact met de ouders, waarbij het contact met de vader ontbreekt en het contact met de moeder onregelmatig is.

Ook is het toekomstperspectief onzeker, mede doordat de gezinshuisouders binnenkort met pensioen gaan. De kinderrechter acht het daarom noodzakelijk dat de gecertificeerde instelling betrokken blijft en zich inzet voor een helder toekomstperspectief in een veilige en stabiele omgeving. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt daarom eveneens verlengd voor de duur van een jaar, waarbij het gezinshuis momenteel de beste en veiligste plek voor de minderjarige is.

De beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken. Hoger beroep kan binnen drie maanden worden ingesteld door de verzoeker en belanghebbenden.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor de duur van één jaar.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Familie
Zaaksgegevens: C/09/689213 / JE RK 25-1336
Datum uitspraak: 14 augustus 2025

Beschikking van de kinderrechter

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak naar aanleiding van het op 28 juli 2025 ingekomen verzoekschrift van:

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

hierna: de gecertificeerde instelling,
betreffende:
- [minderjarige] ,geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N.R. Breman- Kleine in Zwolle,

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.L. Witteveen in Rotterdam,

[de gezinshuisvader] ,

de gezinshuisvader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
en
[de gezinshuismoeder] ,
de gezinshuismoeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna gezamenlijk te noemen: de gezinshuisouders.

Het procesverloop

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het bericht van 7 augustus 2025 van de vader, met bijlage.
Op 14 augustus 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank met gesloten deuren behandeld in de vorm van
een gecombineerde behandelingvan zowel het onderhavige verzoek als het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen (C/09/688398 en FA RK 25-5290). Op laatstgenoemde verzoek wordt bij afzonderlijke beschikking beslist.
Op de zitting zijn verschenen:
  • [naam 1] namens de gecertificeerde instelling.
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door mr. J. Brouwer als waarnemend advocaat;
  • de gezinshuismoeder;
  • [naam 2] , namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Feiten

  • [minderjarige] is erkend door de vader.
  • De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
  • [minderjarige] staat sinds 2 juni 2021 onder toezicht en verblijft sindsdien in een gezinshuis.
  • De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij mondelinge beslissing van 21 augustus 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 3 september 2025 verlengd en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening tot 3 maart 2025 verlengd.
  • De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij mondelinge beslissing van 26 februari 2025 de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening tot 3 september 2025 verlengd.

Verzoek en verweer

De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte accommodatie te verlengen voor de periode van één jaar. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De gecertificeerde instelling voert ter onderbouwing van het verzoek het volgende aan.
Ondanks de positieve ontwikkeling die [minderjarige] op verschillende gebieden laat zien, is er nog steeds sprake van een ernstige bedreiging in haar ontwikkeling. [minderjarige] is een jong meisje, dat veel heeft meegemaakt en een bovengemiddelde behoefte heeft aan structuur, veiligheid en traumasensitieve opvoeding. Deze opvoeding ontvangt zij in het gezinshuis, waar zij sinds kort na haar geboorte woont en veilig is gehecht. De situatie bij beide ouders biedt op dit moment onvoldoende veiligheid en stabiliteit. De vader verblijft nog altijd in een Forensische Psychiatrische Kliniek en is onvoldoende in staat om in te spelen op de behoeften van [minderjarige] . Bij de moeder is sprake van beperkte draagkracht, door persoonlijke omstandigheden en de zorg voor twee andere kinderen. Hierdoor is het contact met [minderjarige] de afgelopen periode niet structureel en voorspelbaar verlopen. Ook is er op dit moment nog geen duidelijk en duurzaam toekomstperspectief vastgesteld voor [minderjarige] en zijn belangrijke doelen uit het afgelopen ondertoezichtstellingsjaar nog niet behaald. Gelet op het voorgaande is de gecertificeerde instelling van mening dat voortzetting van de ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is.
De moeder en de gezinshuisouders hebben ingestemd met het verzochte. De vader heeft verweer gevoerd tegen de duur van de verzoeken.

Beoordeling

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en op de zitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:255 eerste Pro lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) genoemde gronden voor de ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn en dat het noodzakelijk is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen als verzocht.
De doelen waaraan binnen de ondertoezichtstelling gewerkt moest worden zijn nog niet behaald en [minderjarige] wordt nog steeds ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. [minderjarige] heeft veel meegemaakt in haar nog korte leven en heeft een bovengemiddelde behoefte aan structuur, veiligheid en traumasensitieve opvoeding. Daarnaast bestaan nog steeds zorgen over het contact tussen [minderjarige] en haar ouders. [minderjarige] heeft op dit moment geen contact met haar vader en het lukt de moeder niet altijd om de afspraken na te komen. Daardoor heeft [minderjarige] nu al enkele maanden geen contact met de moeder. Ook zijn er zorgen over het perspectief van [minderjarige] . Haar perspectief is voor de langere termijn nog niet duidelijk. Dit komt vooral doordat de gezinshuisouders over enkele jaren met pensioen gaan. Dit maakt het noodzakelijk dat de gecertificeerde instelling betrokken blijft. Daarbij is het belangrijk dat de gecertificeerde instelling zich in de komende periode inzet voor een helder toekomstperspectief voor [minderjarige] in een veilige, stabiele en traumasensitieve opvoedsituatie. De kinderrechter vindt het van belang dat dit ruim op tijd en zorgvuldig wordt aangepakt, omdat dit heel ingrijpend voor [minderjarige] zal zijn. Het is belangrijk dat [minderjarige] ingrijpende gebeurtenissen kan verwerken en wordt beschermd tegen nieuwe. Tot slot dient er in de komende periode gewerkt te worden aan het contact tussen [minderjarige] en haar ouders. Daarbij is het van belang dat [minderjarige] veilig, passend contact heeft met de vader volgens een duidelijk contactplan en zij voorspelbaar contact met de moeder heeft. De kinderrechter acht een termijn van een jaar hiervoor passend, omdat er nog steeds grote zorgen zijn en de verwachting er niet is dat de zorgen het komende jaar aanzienlijk verminderen.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, BW). Het lukt de ouders vooralsnog niet om de verzorging en de opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen. De vader heeft TBS met voorwaarden opgelegd gekregen en verblijft in een gesloten kliniek. De moeder heeft een beperkte draagkracht en zet die in om voor haar andere kinderen te zorgen. Het is daarom van belang dat [minderjarige] ook het komende jaar in het gezinshuis kan blijven, waar zij veilig is gehecht. Het gezinshuis is op dit moment de beste plek voor [minderjarige] en het is niet de verwachting dat dit het komende jaar verandert. Daarom verlengt de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening voor de duur van één jaar.
Daarom zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 3 september 2026 met behoud van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering als gecertificeerde instelling die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte
voorziening tot 3 september 2026;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2025 door mr. C. van Hees, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Wien als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 28 augustus 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van
het gerechtshof Den Haag.