Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag op 24 april 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening samen met de behandeling van het beroep op 15 augustus 2025 behandeld. Op 5 september 2025 heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep (zaaknummer NL25.19913), waardoor de voorlopige voorziening niet langer nodig was.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af, maar veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten aan verzoeker, vastgesteld op € 907,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.