ECLI:NL:RBDHA:2025:16845
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken bijkomende afhankelijkheid tussen ouders en zoon
Eisers, ouders van een in Nederland verblijvende zoon, vroegen een machtiging tot voorlopig verblijf aan op grond van artikel 8 EVRM Pro. De minister wees de aanvraag af omdat geen bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen ouders en zoon waren vastgesteld. Eisers stelden beroep in tegen deze afwijzing en voerden meerdere beroepsgronden aan, waaronder het betwisten van de familierechtelijke relatie en de beoordeling van afhankelijkheid.
De rechtbank oordeelde dat de familierechtelijke relatie tussen de vader en zoon was aangetoond, maar dat de moeder onvoldoende bewijs leverde, met name omdat het originele document (Nutrition Card) niet beschikbaar was. De rechtbank stelde vast dat de minister terecht heeft geoordeeld dat geen sprake is van meer dan gebruikelijke emotionele en financiële afhankelijkheid, mede vanwege het langdurig gescheiden wonen en het ontbreken van exclusieve afhankelijkheid.
Verder werd geoordeeld dat de minister de juiste toetsingsmaatstaf hanteerde en dat het bezwaar kennelijk ongegrond was, waardoor geen aanvullend hoorgesprek nodig was. De medische klachten van eisers en de dreiging van uitzetting waren onvoldoende onderbouwd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit van de minister. Er is geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister gehandhaafd.