ECLI:NL:RBDHA:2025:16838
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het rechtmatig verblijf van een Unieburger in Nederland en de afwijzing van een verzoek om voorlopige voorziening
In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 29 augustus 2025, wordt het beroep van eiser, een Poolse nationaliteit houder, tegen de vaststelling van geen rechtmatig verblijf in Nederland behandeld. Eiser heeft sinds 2018 of 2019 in Nederland verbleven, maar heeft een zwervend bestaan geleid en is meerdere keren in aanraking gekomen met politie en justitie vanwege overlastgevend gedrag. De rechtbank oordeelt dat de minister van Asiel en Migratie, verweerder, terecht heeft vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op basis van artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Eiser heeft in beroep aangevoerd dat zijn werkloosheid onvrijwillig is en dat hij recht heeft op een WW-uitkering. De rechtbank stelt echter vast dat eiser niet heeft aangetoond dat hij aan de voorwaarden voor een WW-uitkering voldoet. De rechtbank concludeert dat verweerder niet ten onrechte de belangenafweging in het nadeel van eiser heeft laten uitvallen, gezien de omstandigheden van eiser, waaronder zijn verslaving aan alcohol en het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk, omdat er geen connexiteit meer is na de uitspraak in het beroep. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.