ECLI:NL:RBDHA:2025:16831
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening mvv-verzoek tijdens bezwaarprocedure nareis
Verzoekster, moeder van een in Nederland verblijvende dochter met asielvergunning, verzocht om een voorlopige voorziening om haar te behandelen als zijnde in het bezit van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) gedurende de bezwaarprocedure tegen de afwijzing van haar mvv-aanvraag. De dochter had de aanvraag gedaan op grond van artikel 8 EVRM Pro, met beroep op gezinsleven.
De minister wees de aanvraag af omdat er geen sprake was van gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro, mede vanwege het ontbreken van afhankelijkheid tussen verzoekster en haar dochter. Verzoekster stelde dat zij de kleinkinderen verzorgt en dat een scheiding een schending van artikel 8 EVRM Pro zou betekenen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek om voorlopige voorziening een vergaande maatregel is die alleen in uitzonderlijke gevallen kan worden toegewezen, namelijk bij een zwaarwegend spoedeisend belang en twijfel aan de rechtmatigheid van het besluit. Dit was hier niet het geval, omdat de kleinkinderen ook nog in bezwaarprocedure waren en geen sprake was van een dreigende scheiding.
Het verzoek werd daarom afgewezen, waarbij ook het griffierecht niet werd teruggegeven en geen proceskostenvergoeding werd toegekend. De voorzieningenrechter benadrukte dat indien aan de kinderen een mvv wordt verleend, artikel 8 EVRM Pro relevant wordt en de minister een beoordeling zal moeten maken.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening om verzoekster te behandelen als houder van een mvv gedurende de bezwaarprocedure is afgewezen.