Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder
Inleiding
Beslissing
Overwegingen
F.S.van het HvJEU volgt de rechtbank de minister in zijn standpunt dat uit dit arrest voortvloeit dat enkel fysiek vertrek onvoldoende is om te concluderen dat een terugkeerbesluit is uitgevoerd. Vereist is dat de Unieburger zijn verblijf daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd, wat normaliter blijkt uit een zekere verplaatsing van een centrum van persoonlijke, professionele of familiebelangen.ii De minister mocht er vanuit gaan dat uit de door verzoeker overgelegde stukken – een artsenbezoek, tijdelijk verblijf in een noodopvang en het aanhouden van een dakloos bestaan – niet volgt dat sprake is van een dergelijke verschuiving van belangen en daarmee een daadwerkelijke en effectieve beëindiging van verblijf in Nederland. Daaruit blijkt niet dat verzoeker zoals hij stelt meer dan een half jaar in Duitsland heeft gewoond en gewerkt. Hooguit blijkt er uit dat hij zijn daklozenbestaan tijdelijk heeft voortgezet in Duitsland, maar hieruit volgt niet een mate van integratie in Duitsland. Vervolgens is verzoeker in Nederland aangetroffen zonder vaste woon of verblijfplaats en of werk in Nederland. Daarmee is evenmin aannemelijk dat verzoeker een nieuw verblijfsrecht in Nederland kan ontlenen aan de Verblijfsrichtlijn. De minister heeft daarbij niet ten onrechte overwogen dat van nieuwe, relevante elementen daarom geen sprake is.