Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft een beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen van de minister van Asiel en Migratie op een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf als familie- of gezinslid. De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak waarin de minister werd opgedragen binnen twintig weken een besluit te nemen. Omdat de minister deze termijn niet heeft gehaald, is het beroep ontvankelijk en gegrond verklaard.
De rechtbank legt de minister een nieuwe beslistermijn van twee weken na verzending van deze uitspraak op en verbindt daaraan een dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van € 37.500,-. De minister heeft geen verweerschrift ingediend, waardoor onduidelijk blijft wanneer alsnog een besluit wordt genomen. Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50 vanwege de inschakeling van professionele juridische hulp.
De rechtbank wijst het verzoek van de minister om het beroep aan te houden af, omdat dit de prikkel tot voortvarend beslissen wegneemt. Tevens verleent de rechtbank eiser vrijstelling van griffierecht. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en bekendgemaakt op 29 juli 2025.