Verzoekster is door de minister van Asiel en Migratie bij besluit van 21 februari 2024 aangemerkt als niet-rechtmatig verblijvend in Nederland en kreeg een terugkeerbesluit opgelegd. Na een periode van uitstel onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (bevriezingsmaatregel) ontving verzoekster op 15 juli 2025 een brief waarin werd meegedeeld dat deze maatregel per 4 september 2025 stopt, met een vertrektermijn van vier weken en een verbod op werken zonder vergunning.
Verzoekster stelde op 2 september 2025 beroep in tegen deze situatie en verzocht om een voorlopige voorziening om de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit en de brief van 15 juli 2025 op te schorten. De voorzieningenrechter besloot zonder zitting en constateerde dat een uitspraak vóór 4 september 2025 niet haalbaar was, terwijl de rechtsgevolgen dan al intreden.
Om onomkeerbare gevolgen te voorkomen, schorst de voorzieningenrechter het terugkeerbesluit en de gevolgen van het stopzetten van de bevriezingsmaatregel als ordemaatregel tot de einduitspraak. Dit betekent dat verzoekster niet mag worden uitgezet, recht houdt op opvang en verstrekkingen, en mag blijven werken zonder tewerkstellingsvergunning gedurende deze periode.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter W. Loof en griffier C.G.H. van der Holst op 5 september 2025. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.