Eiser stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Nadat verweerder de aanvraag op 13 mei 2025 had ingewilligd, verloor het beroep zijn belang en werd het niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 6:20, derde lid, Awb.
De rechtbank oordeelde dat eiser vanwege het niet tijdig beslissen terecht beroep had ingesteld en veroordeelde verweerder daarom in de proceskosten. De proceskosten werden vastgesteld op € 453,50, gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht met een wegingsfactor 'licht', omdat het beroep uitsluitend betrekking had op het niet tijdig nemen van een besluit.
De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 4 september 2025, buiten zitting, en openbaar gemaakt via een geanonimiseerde publicatie. Eiser werd gewezen op de mogelijkheid tot het indienen van een verzetschrift binnen zes weken.