ECLI:NL:RBDHA:2025:16425
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtmatigheid van ophouding en verlenging op grond van de Vreemdelingenwet 2000
Eiser werd op 3 juli 2025 opgehouden en deze ophouding werd op dezelfde dag verlengd op grond van artikel 50 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat de strafrechtelijke staandehouding en de aansluitende vreemdelingenrechtelijke ophouding onrechtmatig waren, mede vanwege het ontbreken van documenten over het strafrechtelijk traject en een onjuist opgemaakt proces-verbaal.
De rechtbank oordeelde dat zij niet bevoegd is de rechtmatigheid van het strafrechtelijke voortraject te toetsen en dat het beoordelingskader begint bij de vreemdelingenrechtelijke ophouding op 3 juli 2025. De ophouding was terecht gebaseerd op artikel 50, tweede lid, Vw, omdat de identiteit van eiser niet onmiddellijk kon worden vastgesteld.
De late ondertekening van het proces-verbaal schaadt de verdedigingsbelangen van eiser niet, temeer daar hij zijn bezwaren in rechte kon voorleggen. De verlenging van de ophouding was eveneens rechtmatig vanwege twijfel over het rechtmatig verblijf van eiser en het uitblijven van een tijdige reactie van de Spaanse autoriteiten.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de ophouding en verlenging daarvan is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.