Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:16420

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juli 2025
Publicatiedatum
4 september 2025
Zaaknummer
NL25.31059
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet ongegrond verklaard

Bij besluit van 10 juli 2025 legde de minister van Asiel en Migratie aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 op. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding.

De rechtbank behandelde het beroep op 23 juli 2025. Eiser betwistte de rechtmatigheid van de maatregel niet, maar hoopte op een spoedige overdracht naar Frankrijk. Verweerder stelde dat de bewaring noodzakelijk was vanwege een concreet aanknopingspunt voor overdracht volgens de Dublinverordening en het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken.

De rechtbank stelde vast dat de minister voortvarend werkt aan de overdracht en dat ook ambtshalve toetsing van de rechtmatigheid geen onrechtmatigheid aan het licht bracht. Gezien het ontbreken van betwisting en de ambtshalve toetsing verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.31059
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [nummer 1] , eiser (gemachtigde: mr. G.A. Dorsman),

en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. J.A. Weststrate).

Procesverloop

Bij besluit van 10 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Rechtmatigheid van de maatregel
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2. Eiser geeft aan geen bezwaren te hebben tegen de maatregel, omdat hij daarin geen onregelmatigheden heeft geconstateerd. Hij spreekt enkel de hoop uit dat zijn overdracht naar Frankrijk spoedig zal plaatsvinden.
3. De rechtbank stelt vast dat de rechtmatigheid van de maatregel niet wordt betwist. Uit de aanbiedingsbrief van verweerder, gedateerd 22 juli 2025, blijkt dat op 16 juli 2025 een terugname verzoek is verzonden aan de Franse autoriteiten. Ook heeft op 14 juli 2025 een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden. Hieruit leidt de rechtbank af dat verweerder voortvarend werkt aan de overdracht van eiser naar Frankrijk.

Ambtshalve toetsing

4. De rechtbank overweegt verder dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
29 juli 2025

Documentcode: [nummer 2]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.