ECLI:NL:RBDHA:2025:16400
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen overplaatsing asielzoeker naar andere COA-locatie
Verzoeker, een transgender man met psychische kwetsbaarheid, werd door het COA overgeplaatst van een asielzoekerscentrum in locatie 1 naar locatie 2. Hij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de overplaatsing te voorkomen, stellende dat het COA onvoldoende rekening hield met zijn persoonlijke omstandigheden en binding met locatie 1.
Het COA motiveerde de overplaatsing met het feit dat verzoeker een vierpersoonskamer bestemd voor LHBTI’ers in locatie 1 alleen bezet hield, waardoor opvangcapaciteit niet optimaal werd benut. Ter compensatie bood het COA een tweepersoonskamer aan in locatie 2, speciaal voor LHBTI’ers, die verzoeker aanvankelijk alleen mag gebruiken.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het COA op grond van artikel 11 van Pro de Regeling verstrekkingen asielzoekers bevoegd is overplaatsing te gelasten indien noodzakelijk. De overplaatsing was noodzakelijk vanwege de beperkte opvangcapaciteit. Hoewel verzoeker psychisch kwetsbaar is, achtte de rechter dit geen reden om het besluit te verbieden, mede omdat het COA rekening hield met zijn situatie.
De voorzieningenrechter vond geen aanwijzingen dat de overplaatsing onzorgvuldig was voorbereid of dat het COA onvoldoende had gecommuniceerd. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen overplaatsing naar een andere COA-locatie wordt afgewezen.