Verzoeker, een derdelander uit Oekraïne, kreeg een terugkeerbesluit opgelegd waarbij zijn tijdelijke bescherming onder de Richtlijn tijdelijke bescherming (2001/55/EG) per 4 maart 2024 werd beëindigd. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening om de rechtsgevolgen van het besluit op te schorten totdat het beroep is beslist.
De voorzieningenrechter oordeelt dat er onverwijlde spoed is vanwege het naderende einde van de bevriezingsmaatregel voor Oekraïense derdelanders op 4 september 2025, waardoor verzoeker na die datum geen gebruik meer kan maken van opvang en niet mag werken. Omdat verzoeker ten tijde van het besluit geen procedure over tijdelijke bescherming had lopen, is toewijzing van de voorlopige voorziening passend.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en bepaalt dat verzoeker moet worden behandeld alsof de Richtlijn tijdelijke bescherming nog op hem van toepassing is tot vier weken na de beslissing op het beroep. Tevens wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten van verzoeker tot €907.