ECLI:NL:RBDHA:2025:16367
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid voorzieningenrechter inzake verzoek voorlopige voorziening klacht artikel 12-procedure
Verzoeker heeft op 10 mei 2025 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, welke naar de rechtbank is verwezen wegens onbevoegdheid van de Afdeling. Het verzoek betreft een klacht over de behandeling van een artikel 12-procedure, waarbij verzoeker stelt dat een president van het Gerechtshof de procedure tegenhoudt en de Ombudsman hem heeft verboden verdere klachten in te dienen.
De voorzieningenrechter overweegt dat op grond van artikel 1:6 Awb Pro de bestuursrechter niet bevoegd is kennis te nemen van verzoeken die betrekking hebben op opsporing en vervolging van strafbare feiten en de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. Tevens is geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro vastgesteld en ontbreekt connexiteit met bezwaar of beroep.
Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens onbevoegdheid van de voorzieningenrechter. Het reeds betaalde griffierecht wordt terugbetaald. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het verzoek om voorlopige voorziening en betaalt het griffierecht terug.