Eiseres, van Chinese nationaliteit en lid van de Han-bevolkingsgroep, verzocht om een verblijfsvergunning asiel vanwege haar bekering tot de Jehovah’s Getuigen en de vrees voor vervolging in China. Haar asielaanvraag werd door de Minister van Asiel en Migratie afgewezen als kennelijk ongegrond omdat zij niet tijdig asiel had aangevraagd en haar bekering niet geloofwaardig was.
De rechtbank oordeelt dat verweerder een individuele en integrale beoordeling heeft gemaakt, waarbij de verklaringen en overgelegde bewijsstukken zijn meegewogen. De rechtbank vindt dat eiseres onvoldoende heeft aangetoond dat haar bekering gebaseerd is op een diepgewortelde innerlijke overtuiging. Haar verklaringen over de motivatie en het verloop van haar bekering zijn summier, inconsistent en bevatten onjuiste Bijbelverwijzingen, wat de geloofwaardigheid ondermijnt.
Daarnaast is het feit dat eiseres pas in 2022 asiel aanvroeg, terwijl zij sinds 2017 actief was binnen de geloofsgemeenschap, niet voldoende verklaard. De rechtbank concludeert dat de afwijzing van de asielaanvraag terecht is en verklaart het beroep ongegrond. Eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.