Eiser, van Chinese nationaliteit en lid van de Han-bevolkingsgroep, verzocht om asiel in Nederland vanwege zijn bekering tot Jehova’s Getuigen en de vrees voor vervolging in China. Hij was in 2008 legaal Nederland binnengekomen en had een verblijfsvergunning als kennismigrant, die in 2010 met terugwerkende kracht werd ingetrokken.
In 2022 diende eiser een asielaanvraag in, die door de Minister van Asiel en Migratie werd afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser niet onmiddellijk asiel had aangevraagd toen dat mogelijk was. Eiser voerde aan dat zijn bekering oprecht was en dat de geloofwaardigheidsbeoordeling onjuist was toegepast.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht had geoordeeld dat de bekering niet geloofwaardig was, omdat eiser onvoldoende persoonlijke en samenhangende motieven had gegeven, onjuiste kennis van de religie toonde en zijn verklaringen oppervlakkig waren. Ook was het niet aannemelijk dat hij zijn asielaanvraag niet eerder kon indienen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.