ECLI:NL:RBDHA:2025:1626

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 februari 2025
Publicatiedatum
7 februari 2025
Zaaknummer
NL24.51444 en AWB24/21481
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 VwopArt. 10 Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005Art. 11 Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen plaatsing in Handhaving- en Toezichtlocatie na agressieincident

De rechtbank Den Haag heeft op 7 februari 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin een asielzoeker bezwaar maakte tegen zijn plaatsing in een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) en tegen een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd door het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COa) en de minister van Asiel en Migratie.

Het geschil ontstond na een incident waarbij eiser een medebewoner fysiek aanviel met een kopstoot, schopte en een knietje in het gezicht gaf, terwijl omstanders probeerden te bemiddelen. Het COa kwalificeerde dit als een gedraging met zeer grote impact en besloot tot plaatsing in de HTL en het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel.

De rechtbank oordeelde dat het COa voldoende en gedetailleerd had gemotiveerd waarom de plaatsing en maatregel gerechtvaardigd waren. De stellingen van eiser dat het incident anders was verlopen en dat hij uit zelfverdediging handelde, werden niet gevolgd. Het incident werd terecht als ernstig beoordeeld, ook omdat het geweld doorging nadat het slachtoffer al op de grond lag.

Daarom verklaarde de rechtbank de beroepen ongegrond en wees zij het verzoek om schadevergoeding af. Tegen het plaatsingsbesluit kan hoger beroep worden ingesteld, tegen de vrijheidsbeperkende maatregel niet.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.51444 en AWB24/21481

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 februari 2025 in de zaken tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],
van Jeminitische nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers, het COa,

evenals

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. K.J. Diender).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep van eiser is gericht tegen het besluit van het COa van 1 december 2024, waarbij het COa heeft besloten om eiser vanaf 1 december 2024 in een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) in Hoogeveen te plaatsen (het plaatsingsbesluit). [1] Het tweede beroep van eiser is gericht tegen het besluit van de minister van dezelfde datum om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van Pro de Vw [2] op te leggen.
1.1.
Het COa heeft gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 24 januari 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht niet verschenen op de zitting. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en ook geen vergoeding in de proceskosten. Hierna legt de rechtbank, aan de hand van de beroepsgronden, uit hoe zij tot dit oordeel komt.
3. Uit de verslaglegging van het COa blijkt - kort samengevat - het volgende. Eiser kwam een medebewoner tegen op de gang. Eiser en de medebewoner hadden een discussie. De medebewoner duwde eiser, waarna de discussie zich voortzette. Vervolgens gaf eiser de medebewoner een kopstoot, werkte hem naar de grond, schopte de medebewoner en gaf hem een knietje in zijn gezicht. De medebewoner heeft hierbij letsel opgelopen en moest worden onderzocht door de medische dienst. Andere bewoners van de opvanglocatie waren getuige van het incident en hebben geprobeerd tussenbeide te komen. Volgens het COa is er geen sprake van zelfverdediging, omdat eiser, ook nadat hij de mogelijkheid had om te stoppen, niet is gestopt met zijn agressieve gedrag.
4. De rechtbank is van oordeel dat het COa op goede gronden en voldoende gemotiveerd heeft besloten, dat eiser in de HTL kan worden geplaatst.
4.1.
De rechtbank overweegt dat het COa het incident gedetailleerd heeft weergegeven. De enkele - niet nader onderbouwde - stelling van eiser dat het incident anders is verlopen dan zoals vastgelegd in het plaatsingsbesluit is onvoldoende om te twijfelen aan de door het COa geschetste gang van zaken. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat het COa onvoldoende zou hebben gekeken naar de situatie voorafgaand aan het incident. Het COa heeft in het plaatsingsbesluit opgenomen dat er een discussie tussen eiser en de medebewoner was ontstaan en dat eiser door de medebewoner werd geduwd. De beroepsgrond slaagt niet.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat het incident terecht is aangemerkt als een incident met zeer grote impact en dat het COa terecht geen lichtere maatregel aan eiser heeft opgelegd. [3] Daarvoor acht de rechtbank van belang dat vaststaat dat eiser de medebewoner heeft geschopt en een knietje in zijn gezicht heeft gegeven terwijl deze op de grond lag en omstanders probeerden tussenbeide te komen. De stelling van eiser dat de medebewoner het geweld is gestart doet niet af aan de ernst en impact van de gedragingen van eiser. Dat eiser alleen heeft gehandeld uit zelfverdediging is niet gebleken. Eiser heeft immers nadat zijn medebewoner al op de grond lag, geschopt en een knietje in het gezicht gegeven. Eisers stelling dat hij niet eerder negatief in beeld is geweest bij het COa maakt dit oordeel ook niet anders. Dit doet namelijk ook niet af aan de impact van het incident. Het incident is op zichzelf staand voldoende ernstig voor plaatsing in de HTL. Dat er drie dagen zitten tussen het incident en de plaatsing leidt niet tot een ander oordeel en doet niet af aan de ernst van de gedraging.
5. Het beroep tegen het plaatsingsbesluit is daarom ongegrond. Omdat het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond is en de vrijheidsbeperkende maatregel volledig steunt op dat besluit, oordeelt de rechtbank dat het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ook ongegrond moet worden verklaard en wijst het verzoek tot schadevergoeding af.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier op 7 februari 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
de griffier de rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder h en i, en artikel 11, eerste lid van de Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.
2.Vreemdelingenwet 2000.
3.Onder gedragingen met een zeer grote impact wordt, zoals volgt uit het Maatregelenbeleid van het COa, onder andere verstaan “agressie en geweld tegen medebewoners en/of derden met een zeer grote impact, zoals gedrag met als doel de ander ernstig te bedreigen”.