ECLI:NL:RBDHA:2025:162
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking verblijfsvergunning studie
De verzoeker had een verblijfsvergunning voor studie die op 14 februari 2024 werd ingetrokken door de minister van Asiel en Migratie. Na een ongegrond verklaard bezwaar startte verzoeker op 30 december 2024 een beroepsprocedure en vroeg tegelijk een voorlopige voorziening om in Nederland te mogen blijven tijdens de procedure.
De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting en concludeerde dat niet was aangetoond dat er sprake was van onverwijlde spoed. Verzoeker stelde dat het beroep kans van slagen had omdat het besluit niet deugdelijk was gemotiveerd en in strijd was met artikel 8 EVRM Pro, en dat het belang bij rechtmatig verblijf urgent was vanwege het risico op stopzetting van de zorgverzekering en het belang van werk voor zijn mentale gezondheid.
De minister betwistte dat het beroep kans van slagen had en wees erop dat intrekking van de verblijfsvergunning automatisch gevolgen heeft voor het recht op werken en zorgverzekering. De voorzieningenrechter vond dat verzoeker zijn stellingen onvoldoende had onderbouwd en dat het beroep niet aannemelijk kansrijk was. Ook was niet gebleken dat verzoeker op korte termijn zou worden uitgezet.
De voorzieningenrechter wees erop dat verzoeker recht heeft op medisch noodzakelijke zorg ongeacht verblijfsstatus (artikel 10 lid 2 Vw Pro 2000). Gelet op deze omstandigheden was er geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek werd daarom afgewezen zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van onverwijlde spoed en onvoldoende aannemelijkheid van het beroep.