In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, wordt het beroep van eiseres beoordeeld, dat is ingesteld tegen de Minister van Asiel en Migratie. Eiseres heeft een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf ingediend, maar de minister heeft volgens haar niet tijdig beslist. De rechtbank heeft vastgesteld dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, omdat het griffierecht van € 194,- niet is betaald. Dit is in overeenstemming met artikel 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat bepaalt dat degene die beroep instelt, griffierecht moet betalen. De griffier heeft eiseres op 27 juni 2025 per aangetekende brief gewezen op de verplichting tot betaling van het griffierecht, met de mededeling dat dit binnen twee weken voldaan moest zijn. De rechtbank heeft vastgesteld dat de aangetekende brief op 8 juli 2025 is afgehaald, maar dat eiseres het griffierecht niet tijdig heeft betaald. Hierdoor is de rechtbank genoodzaakt om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren, zonder inhoudelijke beoordeling van de zaak. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, en openbaar gemaakt op www.rechtspraak.nl.