De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige tot 16 augustus 2026. De minderjarige woont bij zijn moeder, die het ouderlijk gezag heeft, en heeft omgang met zijn vader. De ouders verschillen van mening over de omgang en veiligheid, waarbij de moeder zorgen uit over de belasting van de minderjarige met volwassenzaken en een incident met de vader onder invloed van alcohol.
De kinderrechter heeft de ouders en de minderjarige gehoord en concludeert dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd door de gespannen situatie tussen de ouders en de problematiek die dit veroorzaakt. De ouders tonen beiden liefde voor het kind maar slagen er niet in effectief samen te werken, wat leidt tot emotionele problemen bij de minderjarige.
De hulpverlening is gestart maar onvoldoende effectief, mede doordat de moeder niet openstaat voor een individueel traject dat de gecertificeerde instelling noodzakelijk acht. De kinderrechter benadrukt het belang van voortzetting van de ondertoezichtstelling om de noodzakelijke hulpverlening te kunnen waarborgen en de ontwikkeling van de minderjarige te beschermen.
De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt, ook bij hoger beroep. De ouders en andere belanghebbenden kunnen binnen drie maanden tegen deze beschikking hoger beroep instellen.