ECLI:NL:RBDHA:2025:16001

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juli 2025
Publicatiedatum
27 augustus 2025
Zaaknummer
NL25.19772, NL25.19773, NL25.22704 en NL25.22705
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroepen tegen verlenging overdrachtstermijn Dublinverordening wegens ontbreken procesbelang

In deze bestuursrechtelijke zaak beoordeelt de rechtbank Den Haag de beroepen van eisers tegen het besluit van 23 april 2025, waarbij de minister van Asiel en Migratie de overdrachtstermijn heeft verlengd wegens onderduiken. Tevens worden de verzoeken om voorlopige voorziening behandeld. De rechtbank houdt geen zitting omdat dit niet noodzakelijk wordt geacht.

De kern van het geschil betreft de vraag of eisers nog procesbelang hebben bij de beoordeling van hun beroepen, nu zij met onbekende bestemming zijn vertrokken. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat een vreemdeling die met onbekende bestemming is vertrokken in beginsel geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn asielprocedure. Dit geldt ook voor de verlenging van de overdrachtstermijn in het kader van de Dublinverordening, omdat deze nauw samenhangt met de asielaanvraag.

De rechtbank stelt vast dat eisers sinds 23 april 2025 met onbekende bestemming zijn vertrokken en dat hun gemachtigde sinds maanden geen contact meer met hen heeft. Hierdoor concludeert de rechtbank dat eisers geen prijs meer stellen op de bescherming die zij aanvankelijk zochten en dus geen procesbelang meer hebben. Daarom verklaart de rechtbank de beroepen en de verzoeken om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eisers krijgen geen vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen en verzoeken om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.19772 (beroep) NL25.19773 (voorlopige voorziening), NL25.22704 (beroep) NL25.22705 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , eiser/verzoeker en [eiseres] , eiseres/verzoekster,

mede namens haar minderjarige kinderen,
V-nummers: [v-nummer 1] en [v-nummer 2] , samen te noemen: eisers/verzoekers
(gemachtigde: mr. R.S. Frickus),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het besluit van 23 april 2025 (het bestreden besluit), waarmee de minister de overdrachtstermijn heeft verlengd wegens onderduiken. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak de verzoeken om een voorlopige voorziening van eisers.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. [1]
3. De rechtbank beoordeelt of het beroep ontvankelijk is.
Hebben eisers nog procesbelang?
4. Verweerder heeft in het bericht van 6 mei 2025 laten weten dat eisers met onbekende stemming zijn vertrokken. De rechtbank heeft de gemachtigde van eisers via berichten in het digitale dossier verzocht om hierop te reageren. De gemachtigde heeft hier op 26 mei 2025 op gereageerd.
4.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [2] volgt dat als de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken, er in beginsel van uit mag worden gegaan dat hij geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. De vreemdeling heeft in dat geval geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep over een besluit op zijn asielaanvraag. Dit is anders als de gemachtigde van de betrokken vreemdeling laat weten nog in contact met hem te staan over de procedure. Nu het in deze zaak bestreden besluit waarmee de overdrachtstermijn in het kader van de Dublinverordening is verlengd, naar zijn aard een nauwe samenhang vertoont met de asielaanvraag en de beoordeling daarvan, is de rechtbank van oordeel dat in deze zaak dezelfde maatstaf heeft te gelden bij de vraag of eisers nog procesbelang hebben bij de beoordeling van dit beroep. Indien eisers gelijk zouden krijgen in deze procedure dan zou dit er immers op neer komen dat verweerder hun asielaanvraag inhoudelijk moet behandelen en moet materieel dezelfde vraag naar het procesbelang worden beantwoord.
4.2.
Vaststaat dat eisers sinds 23 april 2025 met onbekende bestemming zijn vertrokken en dat de gemachtigde van eisers op 26 mei 2025 de rechtbank heeft laten weten al maanden niet meer met hen in contact te staan. Daargelaten dat hiermee de vraag opkomt of de gemachtigde door eisers gemachtigd was namens hen op 29 april 2025 beroep in te stellen tegen het bestreden besluit, geldt dat de rechtbank uit deze omstandigheden afleidt dat eisers kennelijk geen prijs meer stellen op de door hen aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eisers hebben daarom geen procesbelang meer bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroepen over de verlenging van de overdrachtstermijn.

Conclusie en gevolgen

5. De beroepen zijn kennelijk niet-ontvankelijk.
6. Nu er uitspraak is gedaan in de beroepen en er niet langer sprake is van connexiteit [3] , worden de verzoeken om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
7. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter verklaart de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van V. Nooteboom, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op de beroepen, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Tegen de uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
3.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.