Verzoeker, met Marokkaanse nationaliteit en sinds 2000 houder van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, kreeg zijn vergunning ingetrokken met ingang van 7 juli 2022. Daarnaast werd een terugkeerbesluit en een zwaar inreisverbod van 10 jaar opgelegd. Verzoeker stelde beroep in tegen het besluit van 24 juli 2025 en verzocht om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen.
De minister maakte kenbaar dat verzoeker op 26 augustus 2025 zou worden uitgezet naar Marokko vanuit strafrechtelijke detentie. Verzoeker maakte bezwaar tegen de voorgenomen uitzetting en vroeg opnieuw om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker betalingsonmacht had en vrijgesteld werd van griffierecht.
De voorzieningenrechter kon geen inhoudelijk oordeel geven over het beroep vanwege de korte termijn en omvang van het dossier. Daarom werd een belangenafweging gemaakt. Het persoonlijke belang van verzoeker om in Nederland te blijven zolang de rechtbank zich nog niet over het beroep had uitgelaten, woog zwaarder dan de algemene belangen van de minister, zoals kostenbesparing en draagvlak in de samenleving.
De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening toe en verbood de minister om verzoeker uit te zetten totdat op het beroep is beslist. Het verzoek om een voorlopige voorziening met een ander zaaknummer werd niet-ontvankelijk verklaard. De minister werd tevens veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker.