ECLI:NL:RBDHA:2025:1588

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 februari 2025
Publicatiedatum
7 februari 2025
Zaaknummer
NL24.47136, NL24.47137, NL24.47138
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 42 Vreemdelingenwet
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens prematuur ingediend tegen niet tijdig beslissen asielaanvragen

Eisers hebben op 1 februari 2023 asielaanvragen ingediend. Nederland werd op 19 december 2023 verantwoordelijk voor de behandeling van deze aanvragen, waarna de beslistermijn van zes maanden volgens de Vreemdelingenwet aanving.

Eisers dienden een ingebrekestelling in op 9 oktober 2024 en vervolgens beroepen tegen het niet tijdig beslissen. De rechtbank oordeelt dat de ingebrekestelling prematuur was omdat de beslistermijn nog niet was verstreken.

Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen beroepen tegen niet tijdig beslissen pas worden ingediend nadat het bestuursorgaan in gebreke is gesteld en twee weken zijn verstreken. Omdat dit niet het geval was, zijn de beroepen niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank vond geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en maakte de uitspraak zonder zitting bekend. Eisers wordt gewezen op de mogelijkheid om binnen vier weken beroep te doen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De beroepen tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvragen zijn niet-ontvankelijk verklaard wegens prematuur ingediende ingebrekestelling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.47136, NL24.47137, NL24.47138

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[naam],

V-nummer: [nummer],

[naam],

V-nummer: [nummer],

[naam],

V-nummer: [nummer],
mede namens de minderjarige:

[naam],V-nummer: [nummer],

gezamenlijk: eisers,
(gemachtigde: mr. B. de Haan),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over de beroepen van eisers tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvragen van 1 februari 2023.
2. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt. Partijen hebben hier mee ingestemd, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten en de beroepen dus niet heeft behandeld op een zitting.

Beoordeling door de rechtbank

3. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat, voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld.
4. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald dat een beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend, zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken, nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
5. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) moet de minister binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen. Op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw kan de termijn, als bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste negen maanden worden verlengd, indien een groot aantal vreemdelingen tegelijk een aanvraag indient waardoor het in de praktijk zeer moeilijk is de procedure binnen de termijn van zes maanden af te ronden. Uit artikel 42, zesde lid, van de Vw blijkt dat bovengenoemde beslistermijn aanvangt wanneer overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.
6. Eisers hebben de asielaanvragen ingediend op 1 februari 2023. Uit de stukken in het dossier blijkt dat eisers met ingang van 19 december 2023 zijn toegelaten tot de nationale procedure en dat Nederland op dat moment verantwoordelijk werd voor de behandeling van de asielaanvragen van eisers. Dit betekent dat de beslistermijn nog niet is verstreken en dat de ingebrekestelling van 9 oktober 2024 prematuur is ingediend. De beroepen voldoen daarom niet aan de vereisten voor het indienen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen, als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepen zijn niet-ontvankelijk.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. B.A. Smit, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.