Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. De rechtbank constateert dat de uiterste beslistermijn van 21 maanden, zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn, is overschreden. De minister van Asiel en Migratie wordt opgedragen binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen.
De rechtbank legt een rechterlijke dwangsom van € 100 per dag op, met een maximum van € 15.000, voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt. Tevens worden proceskosten toegekend aan eiser ter hoogte van € 453,50, gebaseerd op een puntensysteem voor rechtsbijstandkosten.
De rechtbank oordeelt dat de verlenging van de beslistermijn met negen maanden onvoldoende is gemotiveerd en derhalve niet rechtsgeldig is. De wettelijke beslistermijn van zes maanden geldt daarom. De rechtbank wijst ook op de toepasselijkheid van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND en het nieuwe regime vanaf 15 april 2025 met bestuurlijke dwangsommen conform artikel 71b van de Vreemdelingenwet 2000.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via geanonimiseerde publicatie. Indien eiser het niet eens is met deze uitspraak, kan hij binnen zes weken een verzetschrift indienen. De zaak betreft een bestuursrechtelijke procedure gericht op het afdwingen van tijdige besluitvorming in een asielprocedure.