Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:15708

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 augustus 2025
Publicatiedatum
22 augustus 2025
Zaaknummer
C/09/566956 / FA RK 19-446
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Doorverwijzing naar omgangsbegeleiding ter bevordering contact minderjarige met vader

De rechtbank Den Haag behandelt het verzoek van de vader om omgang met zijn minderjarige kind. Eerdere hulpverleningstrajecten, zoals ouderschapsbemiddeling en omgangsbegeleiding, zijn in april 2023 voortijdig beëindigd omdat het contact niet tot stand kwam. De Raad voor de Kinderbescherming voerde een onderzoek uit en adviseerde een ondertoezichtstelling, maar deze werd ingetrokken nadat de moeder statusvoorlichting gaf aan de minderjarige.

Ondanks deze stappen hebben de vader en de minderjarige elkaar nog nooit ontmoet. De rechtbank uit ernstige zorgen over het ontbreken van contact en benadrukt dat de moeder meer openheid moet geven over de vader aan het kind. De rechtbank acht het van groot belang dat de ontmoeting op korte termijn plaatsvindt, bij voorkeur onder professionele begeleiding.

De ouders stemmen in met deelname aan een nieuw traject omgangsbegeleiding, ondanks een wachtlijst. De rechtbank beveelt de uitvoerende hulpverleningsinstantie aan om te rapporteren over het verloop van het traject en stelt voorwaarden voor het geval het traject niet succesvol is, waaronder een mogelijk nieuw onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming.

De beschikking wordt tot 1 april 2026 aangehouden, waarbij verdere beslissingen worden uitgesteld in afwachting van de resultaten van het hulpverleningstraject.

Uitkomst: De rechtbank verwijst ouders door naar omgangsbegeleiding en houdt verdere beslissing aan tot 1 april 2026.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 19-446
Zaaknummer: C/09/566956
Datum beschikking: 19 augustus 2025 (bij vervroeging)

Omgang

Beschikking op het op 17 januari 2019 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. van Donk in Rijswijk.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Tijseling in Utrecht, voorheen: mr. M.S. Haas in Utrecht.

Procedure

Bij beschikking van 7 december 2021 van deze rechtbank is een beslissing over de omgangsregeling aangehouden in afwachting van de hulpverleningstrajecten Ouderschapsbemiddeling en Omgangsbegeleiding. Bij een niet-positief verloop is de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te verrichten, alsmede de rechtbank te rapporteren en te adviseren.
De rechtbank heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
  • het bericht van 22 maart 2022 van de moeder;
  • de brief van 14 november 2022 van de vader;
  • het bericht van 7 maart 2023 van de moeder;
  • het bericht van 21 april 2023 van de vader;
  • het eindverslag van [instelling] van 6 juli 2023;
  • het bericht van 22 november 2023 van de moeder;
  • de brief van 20 februari 2024 van de Raad voor de Kinderbescherming;
  • de brief van 29 februari 2024 van de vader;
  • het rapport en advies van de Raad voor de Kinderbescherming te ’s-Gravenhage van 2 juli 2024 met kenmerk KZ-1-5VHY8U1;
  • de brief van 9 september 2024 van de vader;
  • de brief van 31 januari 2025 van de vader;
  • het bericht van 8 mei 2025 van de vader.
Op 5 augustus 2025 is de behandeling op de zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader bijgestaan door waarnemend advocaat mr. R.A. van den Heuvel, de moeder bijgestaan door haar advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet ander wordt overwogen of beslist.
De trajecten Ouderschapsbemiddeling en Omgangsbegeleiding bij [instelling] zijn in april 2023 vroegtijdig beëindigd. [instelling] was van mening dat de hulp binnen het vrijwillig kader onvoldoende was om contactopbouw tussen de vader en [minderjarige] te bereiken. Na de melding van [instelling] over het niet geslaagde hulpverleningstraject is de Raad verzocht een raadsonderzoek te doen. Op 24 juli 2024 heeft de kinderrechter – naar aanleiding van het raadsonderzoek – het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] aangehouden voor de duur van drie maanden om de moeder de kans te geven om zelf statusvoorlichting te geven aan [minderjarige] . De moeder heeft dit uiteindelijk gedaan, waardoor de Raad het verzoek tot ondertoezichtstelling heeft ingetrokken. De verwachting was dat het contact tussen de vader en [minderjarige] na de statusvoorlichting tot stand zou komen en opgebouwd zou worden. De rechtbank constateert dat dit tot op de dag vandaag niet is gebeurd, en [minderjarige] en de vader elkaar dus nog nooit hebben gezien.
Op de zitting heeft de moeder verteld dat zij [minderjarige] één keer heeft verteld dat zij een andere biologische vader heeft. Zij heeft [minderjarige] toen gezegd dat als hij vragen had, hij die altijd aan haar mag stellen. De moeder en [minderjarige] hebben het er verder niet meer over gehad.
De rechtbank maakt zich ernstige zorgen over het feit dat de vader en [minderjarige] elkaar nog nooit hebben gezien. Van de moeder mag worden verwacht dat zij [minderjarige] meer vertelt over zijn vader en daar vaker op terugkomt. De rechtbank vindt het belangrijk dat [minderjarige] en de vader elkaar op korte termijn ontmoeten. Bij voorkeur gebeurt dit op een zorgvuldige manier en met ondersteuning van professionals, zodat de ouders kunnen toewerken naar een duurzame omgangsregeling.
De raadsvertegenwoordiger heeft op de zitting toegelicht dat onder begeleiding van professionals bij Omgangsbegeleiding het contact tussen de vader en [minderjarige] opgebouwd kan worden. Daarbij is benadrukt dat het een laatste kans is voor de ouders om in het vrijwillig kader de omgang tot stand te brengen. Bij een vroegtijdige beëindiging van het traject komt de Raad weer in beeld en is – gelet op het feit dat de situatie al zeven jaar voortduurt – een ondertoezichtstelling niet uitgesloten.
Na een korte schorsing heeft de vader ingestemd om de opbouw van de omgang te laten verlopen via Omgangbegeleiding, ondanks het feit dat hier een wachtlijst voor is. De moeder heeft hier ook mee ingestemd. De rechtbank zal de ouders daarom in de gelegenheid stellen om deel te nemen aan het traject Omgangsbegeleiding, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per e-mail verzonden aan de Jeugdteams Leidse regio voor deelname aan Omgangsbegeleiding en aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstanties. De rechtbank zal deze beschikking per post zenden aan de Jeugdteams Leidse regio.
De rechtbank verzoekt de uitvoerende hulpverleningsinstantie om de eindrapportage over het verloop van de Omgangsbegeleiding in te dienen op de hierna vermelde wijze. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is. Als het traject niet heeft geleid tot een positief resultaat dient de instantie de eindrapportage ook tegelijkertijd te zenden aan de Raad. Aan de hand van de eindrapportage zal de Raad bekijken of er een onderzoek van de Raad noodzakelijk is. De Raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage de rechtbank hierover te informeren en, indien de Raad onderzoek noodzakelijk acht, dit te verrichten en daarvan bij de rechtbank een rapport in te dienen. De Raad wordt in dat geval verzocht om de volgende vragen te beantwoorden:
Welke omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] en wat voor opbouw acht de Raad in het belang van [minderjarige] , nu is gebleken dat dit niet onder begeleiding kan?
Is verdere hulpverlening– voor zover deze nog niet is ingezet – voor [minderjarige] en de ouders noodzakelijk, en zo ja, welke?
Deze beschikking geldt als voorwaardelijke opdracht aan de Raad om een onderzoek te verrichten voor het geval dat het traject volgens de uitvoerende hulpverleningsinstantie niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht. De rechtbank geeft in dat geval nadrukkelijk mee dat moet worden bekeken of de Raad een kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk vindt.
Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank de beslissing ten aanzien van de omgangsregeling zal aanhouden tot na te melden pro forma datum in afwachting van het verloop van het hulpverleningstraject, dan wel de resultaten van het rapport en advies van de Raad.

Beslissing

De rechtbank:
*
stelt vast dat partijen, te weten:
[de vader]
(de vader),
wonende aan de [adres] ( [postcode] ) in [woonplaats] ,
en
[de moeder]
(de moeder),
wonende op een geheim adres,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar de Jeugdteams Leidse Regio, voor deelname aan het hulpverleningstraject Omgangsbegeleiding, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
*
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een kennisgeving van deze beschikking te zenden naar: Jeugdteams Leidse Regio, Haarlemmerstraatweg 31 – 8519 – 2343 LA Oegstgeest;
*
bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank vóór na te melden pro formadatum rapporteert omtrent het verloop van de Omgangsbegeleiding met kopie aan beide ouders en daarvan, indien de trajecten niet positief zijn verlopen, gelijktijdig een afschrift aan de Raad voor de Kinderbescherming stuurt;
bepaalt dat de griffier binnen één week na ontvangst van de rapportage van een niet positief verlopen traject een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming toestuurt;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming bij een niet positief verlopen traject te bezien of een raadsonderzoek noodzakelijk is met inachtneming van hetgeen de rechtbank daarover in de overwegingen heeft opgenomen, de rechtbank daarover binnen twee weken te informeren en, indien dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt iedere verdere beslissing
ten aanzien van de omgangsregelingaan tot
1 april 2026 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. van Hees, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. A.I. Knops als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 19 augustus 2025.