Op 12 december 2024 heeft de verdachte geprobeerd het slachtoffer in diens woning te Den Haag te dwingen tot afgifte van geld en/of goederen door middel van bedreiging met een groot mes. De poging mislukte doordat het slachtoffer de verdachte wist te overmeesteren en uit de woning te zetten.
Het bewijs bestond uit telefoniegegevens die de aanwezigheid van de verdachte in de buurt van de woning aantoonden, banktransacties die de verplaatsing ondersteunden, en camerabeelden met een signalement dat overeenkwam met de verdachte. De verdachte ontkende betrokkenheid en stelde dat mogelijk iemand anders zijn telefoon en bankpas gebruikte, maar dit werd door de rechtbank niet aannemelijk geacht.
De rechtbank achtte de poging tot afpersing wettig en overtuigend bewezen en veroordeelde de verdachte tot 20 maanden gevangenisstraf, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De straf houdt rekening met eerdere veroordelingen van de verdachte en de ernst van het feit, waaronder het gebruik van een machete en de impact op het slachtoffer.