ECLI:NL:RBDHA:2025:15579
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toewijzing proceskostenvergoeding na inwilliging machtiging voorlopig verblijf
Verzoekster diende een beroep in tegen het niet tijdig beslissen van de minister op haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf. Op 15 mei 2025 nam de minister alsnog een besluit, waarna verzoekster haar beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde.
De rechtbank oordeelde dat de minister tegemoet was gekomen aan het beroep en dat de proceskostenvergoeding toewijsbaar was. Omdat verzoekster een professionele juridische hulpverlener inschakelde en de zaak van licht gewicht was, werd een wegingsfactor van 0,5 gehanteerd.
De rechtbank veroordeelde de minister tot betaling van een vast bedrag van € 453,50 aan proceskosten en tevens het griffierecht. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en in het openbaar bekendgemaakt op 17 juni 2025.
Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot betaling van € 453,50 aan proceskosten en vergoeding van het griffierecht.