ECLI:NL:RBDHA:2025:15447
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Proceskostenvergoeding toegekend na intrekking beroep wegens verlening verblijfsvergunning asiel
Verzoeker had beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot verlenging van de verblijfsvergunning asiel. Na een besluit van de minister waarin de asielaanvraag alsnog werd ingewilligd en de verblijfsvergunning werd verlengd, trok verzoeker het beroep in. De rechtbank oordeelde dat verzoeker recht heeft op een proceskostenvergoeding vanwege de tegemoetkoming van de minister.
De procedure kende een tussenuitspraak van de rechtbank waarin het verloop tot 13 mei 2025 werd weergegeven. Na het besluit van 19 juni 2025 om de verblijfsvergunning toe te kennen, maakte verzoeker bezwaar tegen de niet-directe verlenging van de geldigheidsduur. Dit bezwaar werd gegrond verklaard met een verlenging tot 8 januari 2028. Verzoeker vroeg vervolgens om vergoeding van proceskosten voor het ingediende beroepschrift, het verschijnen ter zitting en de rechtsbijstand na de tussenuitspraak.
De rechtbank stelde vast dat de verlenging van de verblijfsvergunning als een tegemoetkoming in het beroep moet worden gezien, ook al was het besluit vormgegeven als een beslissing op bezwaar. Gezien de bijzondere procedure in asielzaken was geen apart rechtsmiddel vereist. De rechtbank kende een vergoeding toe van in totaal € 1.944,00, bestaande uit vergoeding voor het beroepschrift, de zitting en aanvullende rechtsbijstand minus reeds toegekende kosten.
De uitspraak werd gedaan door rechter B. van Velzen en griffier J.B.C. Hoeksel. Partijen kunnen binnen zes weken verzetschrift indienen tegen deze uitspraak.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van € 1.944,00 aan proceskosten aan verzoeker na intrekking van het beroep wegens alsnog verlenen van verblijfsvergunning asiel.