Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 20 november 2024 en moest binnen zes maanden beslissen. Eiser stelde de minister op 23 mei 2025 schriftelijk in gebreke, maar het besluit bleef uit.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. De rechtbank legt een nadere beslistermijn van twee weken op na de dag van verzending van de uitspraak. Indien de minister niet binnen deze termijn beslist, verbeurt hij een dwangsom van € 100 per dag met een maximum van € 15.000.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan eiser, vastgesteld op € 453,50, vanwege de inschakeling van professionele juridische hulp. De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en draagt de minister op alsnog binnen de gestelde termijn te beslissen.