ECLI:NL:RBDHA:2025:1475

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 januari 2025
Publicatiedatum
6 februari 2025
Zaaknummer
NL24.27250
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen terugkeerbesluit en inreisverbod

Verzoeker heeft op 27 september 2023 een aanvraag ingediend voor wijziging van de verblijfsvergunning naar niet-tijdelijke humanitaire gronden. De minister wees dit verzoek op 14 juni 2024 af en legde tevens een terugkeerbesluit en een inreisverbod van tien jaar op. Verzoeker maakte bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening.

De minister gaf op 24 december 2024 aan zich niet te verzetten tegen toewijzing van het verzoek. De voorzieningenrechter besloot de zaak zonder zitting af te doen en wees het verzoek toe. Hierdoor wordt het terugkeerbesluit geschorst en mag verzoeker niet worden uitgezet totdat op het bezwaar is beslist.

De voorzieningenrechter veroordeelde de minister tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van verzoeker. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en het terugkeerbesluit wordt geschorst totdat op bezwaar is beslist.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.27250
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker

(gemachtigde: mr. F. Jansen),

de Minister van Asiel en Migratie1,

(gemachtigde: mr. J.P. Arts).

Inleiding

1. Op 27 september 2023 heeft verzoeker een aanvraag ingediend voor wijziging van de beperking van de verblijfsvergunning naar het doel ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’.
2. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 14 juni 2024 afgewezen. Tevens heeft de minister aan verzoeker een terugkeerbesluit uitgevaardigd en een inreisverbod voor de duur van 10 jaren aan verzoeker opgelegd. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
3. Op 24 december 2024 heeft de minister laten weten dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening.
4. Het verzoek zou op 9 januari 2025 op zitting worden behandeld. Echter hebben partijen de voorzieningenrechter op voorhand toestemming gegeven om de zaak buiten zitting af te doen. Met toestemming van partijen zal de voorzieningenrechter zonder zitting uitspraak doen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

5. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan - onder meer - als voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
1. Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
6. De minister heeft verzoeker bij besluit van 14 juni 2024 meegedeeld dat hij niet in Nederland mag zijn, dat hij kan worden uitgezet en dat het indienen van een bezwaarschrift deze vertrekplicht niet opschort. Verzoeker heeft dus een spoedeisend belang bij de verzochte voorziening.
7. Bij brief van 24 december 2024 heeft de minister meegedeeld zich niet te verzetten tegen toewijzing van hetgeen in het verzoekschrift is verzocht. Nu partijen het er over eens zijn dat van uitzetting van verzoeker behoort te worden afgezien, wijst de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening toe en verbiedt de minister om verzoeker uit te zetten tot de beslissing op bezwaar bekend is gemaakt.
8. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat de minister aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
9. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op
€ 907,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van
€ 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
  • schorst het primaire besluit en verbiedt de minister verzoeker uit Nederland te verwijderen tot de beslissing op bezwaar bekend is gemaakt;
  • draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 187,- aan verzoeker te vergoeden; en
  • veroordeelt de minister in de proceskosten tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.S. Lodder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
10 januari 2025

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.