In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedaan op 18 juli 2025, wordt het beroep van eiser behandeld dat is ingediend tegen de minister van Asiel en Migratie. Eiser had eerder een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis, maar de minister heeft binnen de gestelde termijn geen beslissing genomen. De rechtbank oordeelt dat de minister niet tijdig heeft beslist en dat het beroep van eiser gegrond is. De rechtbank wijst erop dat de minister een termijn van twee weken krijgt om alsnog een besluit te nemen. Indien de minister deze termijn overschrijdt, moet hij een dwangsom van € 250,- per dag betalen, met een maximum van € 37.500,-. Eiser krijgt ook een vergoeding voor de proceskosten, vastgesteld op € 453,50, en het door hem betaalde griffierecht van € 194,- moet door de minister worden vergoed. De rechtbank benadrukt dat het beroep ontvankelijk is, ondanks het ontbreken van een ingebrekestelling, omdat er een eerdere uitspraak was die een termijn voor het nemen van een besluit had gesteld. De uitspraak is openbaar uitgesproken en een afschrift is verzonden aan de betrokken partijen.