ECLI:NL:RBDHA:2025:14624
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen WOZ-waarde woning in Den Haag
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning gelegen aan een adres te een plaats, vastgesteld op €598.000 per 1 januari 2022. De heffingsambtenaar had de waarde bepaald op basis van vergelijkingen met drie vergelijkbare verkochte woningen rondom de waardepeildatum.
Bij de zitting was de gemachtigde van belanghebbende niet verschenen, ondanks correcte uitnodiging. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, mede door een onderbouwde matrix die rekening hield met verschillen in kenmerken en grondprijzen. Belanghebbende stelde dat de woning slechts een opstal betrof zonder grond en zonder eigen nutsvoorzieningen, en dat toegang alleen via een ander adres mogelijk was.
De rechtbank stelde echter dat de WOZ-waarde niet vergeleken kan worden met WOZ-waarden van andere woningen, maar met marktgegevens van verkochte objecten. Bovendien was belanghebbende eigenaar van zowel het betwiste adres als het andere adres, waardoor feitelijk gebruik van nutsvoorzieningen en toegang gewaarborgd is. De door de heffingsambtenaar toegewezen vierkantemeterprijs weerspiegelde de feitelijke situatie. Gezien het voorgaande werd het beroep ongegrond verklaard en werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde van de woning wordt ongegrond verklaard.