ECLI:NL:RBDHA:2025:14514

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 juli 2025
Publicatiedatum
5 augustus 2025
Zaaknummer
25.30689 en AWB 25/14112
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 VwopArt. 10 Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005Art. 11 Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen plaatsing in Handhaving- en Toezichtlocatie en vrijheidsbeperkende maatregel

Eiser, een asielzoeker van Syrische nationaliteit, werd op 19 juni 2025 door het COa geplaatst in een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) te Hoogeveen na een incident waarbij hij agressief gedrag vertoonde, vernielingen aanrichtte en dreigde zichzelf te verwonden met een keukenmes. Tevens legde de minister een vrijheidsbeperkende maatregel op op basis van artikel 56 van Pro de Vreemdelingenwet.

Eiser voerde aan dat de plaatsing in de HTL onrechtmatig was vanwege zijn medische en psychische problemen en dat een dergelijke maatregel niet passend zou zijn. Hij stelde dat alternatieve benaderingen, zoals duidelijke uitleg en begrip, beter zouden werken en dat de maatregel ernstige vrijheidsbeperking inhoudt.

De rechtbank oordeelde dat het COa het incident terecht kwalificeerde als een situatie met zeer grote impact, waarbij het agressieve gedrag en de dreiging met een wapen de veiligheid van medebewoners en medewerkers aantastte. Het maatregelenbeleid werd correct toegepast en eerdere maatregelen hadden geen effect gehad.

De medische dienst van de HTL had geen bezwaar tegen de plaatsing, en eiser kon daar medische zorg ontvangen. De rechtbank vond geen reden om af te wijken van het plaatsingsbesluit en verklaarde het beroep ongegrond. Omdat de vrijheidsbeperkende maatregel steunt op het plaatsingsbesluit, werd ook dat beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen tegen het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.30689 en AWB 25/14112

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. G.E. Jans),
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,

alsmede

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. K. Diender).

Procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep van eiser is gericht tegen het besluit van het COa van 19 juni 2025, waarbij het COa heeft besloten om eiser per 19 juni 2025 in een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) in Hoogeveen te plaatsen (het plaatsingsbesluit). [1] Het tweede beroep van eiser is gericht tegen het besluit van de minister van dezelfde datum om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van Pro de Vw [2] op te leggen. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.1.
Eiser heeft op 10 juli 2025 gronden van beroep ingediend. Het COa heeft op 23 juli 2025 gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 25 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen en heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en daarom ook geen vergoeding van de proceskosten. Hierna legt de rechtbank aan de hand van de beroepsgronden uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit
Het incident dat heeft geleid tot het plaatsingsbesluit
3. Uit de verslaglegging van het COa blijkt het volgende. Eiser is op 18 juni 2025 betrokken geweest bij een incident op de COa-locatie Den Helder. Eiser sprak een medewerker van het COa aan omdat de politie een dag eerder hasj van hem had ingenomen, en hij wilde dit terug. Hierbij gebruikte hij dreigende taal, zo dreigde hij zichzelf neer te schieten en alles kapot te maken om de politie op locatie te krijgen. Medewerkers van het COa troffen later op de middag grootschalige vernielingen aan; wanden en ramen waren verbrijzeld en glassplinters lagen verspreid door de gang. Bewoners waren er getuige van geweest dat eiser met geweld de glazen wanden en ramen in een gemeenschappelijke ruimte had ingeslagen. De politie werd ingeschakeld, en eiser werd gevonden met een groot keukenmes aan zijn keel. Hij dreigde zichzelf te snijden, waarop acht politieagenten hem omsingelden met getrokken tasers. Na enkele minuten gooide eiser het mes weg en ging hij zonder verzet mee met de politie.
Beroepsgronden eiser
4. Eiser voert aan dat de plaatsing in de HTL een oneigenlijk middel is, gelet op zijn medische problemen. Hij heeft behandeling nodig. Plaatsing in de HTL is geen oplossing voor de onderliggende problemen. Eiser stelt dat asielzoekers met soortgelijk gedrag beter reageren op duidelijke uitleg en begrip, en verwijst hierbij naar een verslag van de SEH-arts en een annotatie bij de uitspraak van deze zittingsplaats van 17 december 2024. [3] Volgens eiser is de plaatsing in de HTL een ernstige vrijheidsbeperking. De maatregel is niet passend en is onrechtmatig, omdat bij de belangenafweging onvoldoende rekening is gehouden met eisers persoonlijke situatie. De kans is groot dat eiser de HTL zal verlaten en verder zal afglijden door op straat te leven.
Oordeel rechtbank
5. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de feitelijke verslaglegging van het COa. De rechtbank acht hierbij van belang dat deze verslaglegging is gebaseerd op verklaringen van de betrokken medewerkers van het COa, politieagenten en medebewoners. Ook betwist eiser de feitelijke verslaglegging niet. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat de gedragingen, zoals door het COa beschreven, zich hebben voorgedaan.
5.1.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het COa het incident terecht heeft gekwalificeerd als een incident met een zeer grote impact. Uit de verslaglegging van het COa volgt dat eiser fysiek en agressief gedrag heeft vertoond. Eiser heeft met geweld vernielingen aangericht in een openbaar gedeelte van de COa-locatie. Eiser was in het bezit van een wapen, te weten een keukenmes, en heeft dit gebruikt om te dreigen met suïcide. Verder heeft hij in de aanloop naar de vernielingen en de dreiging met suïcide – toen hij de ingenomen hasj terug wilden krijgen - gedreigd dat hij alles kapot zou maken. Door het gedrag van eiser zijn medebewoners en medewerkers aangetast in hun veiligheidsgevoel. Ook was de inzet van een groot aantal politieagenten nodig om de situatie te de-escaleren. Het COa heeft het incident op goede gronden, in overeenstemming met het maatregelenbeleid, gekwalificeerd als een incident met zeer grote impact.
5.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat het COa, in overeenstemming met het Maatregelenbeleid en voldoende deugdelijk gemotiveerd, heeft besloten tot de oplegging van het plaatsingsbesluit. De rechtbank acht hierbij van belang dat er al eerder incidenten hebben plaatsgevonden rondom het gedrag van eiser, en dat eerdere maatregelen geen effect hebben gehad op zijn gedrag.
5.3
De rechtbank overweegt dat wat eiser stelt, dat hij kampt met medische en psychische problemen, op grond van het Maatregelenbeleid geen contra-indicatie betreft om af te zien van het opleggen van het plaatsingsbesluit. GZA heeft bovendien voorafgaand aan de plaatsing van eiser op de HTL aangegeven dat zij geen medisch bezwaar hebben om eiser over te plaatsen naar de HTL, met de kanttekening dat er eiser in gesprek moet met de gedragsdeskundige over wat hij nodig heeft. De rechtbank overweegt dat eiser zich met zijn medische en psychische omstandigheden kan wenden tot de medische dienst in de HTL. Niet is gebleken dat eiser in de HTL minder goed kan worden behandeld dan in een reguliere opvanglocatie.
6. De rechtbank verklaart het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond.
Het beroep gericht tegen de vrijheidsbeperkende maatregel
7. Omdat het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond is en de vrijheidsbeperkende maatregel volledig steunt op dat besluit, oordeelt de rechtbank dat het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ook ongegrond moet worden verklaard en wijst het verzoek tot schadevergoeding af.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier, op 31 juli 2025 en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder h en i, en artikel 11, eerste lid van de Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.
2.Vreemdelingenwet 2000.