ING Bank vordert betaling van openstaande bedragen van kredietnemers en borg na beëindiging van een kredietrelatie. De kredietnemers verschenen niet, waardoor hun vordering integraal wordt toegewezen. De borg voert verweer en stelt dat betalingen door een derde namens hem zijn gedaan, waardoor zijn betalingsverplichting verminderd zou moeten worden.
De rechtbank onderzoekt of de betalingen door de derde partij als bevrijdend voor de borg kunnen worden aangemerkt. Betalingen in de periode april tot oktober 2023 worden gezien als nakoming van de kredietnemers, niet van de borg, omdat de borg geen partij was bij de betalingsregeling en ING gerechtvaardigd mocht vertrouwen op nakoming door de kredietnemers.
Betalingen vanaf oktober 2024 worden echter wel toegerekend aan de borg, aangezien hij toen als borg was aangeschreven en persoonlijk contact had met de advocaat van ING. De rechtbank veroordeelt de kredietnemers en borg hoofdelijk tot betaling van het resterende bedrag, inclusief wettelijke rente en proceskosten.