De minister van Asiel en Migratie legde op 23 juni 2025 aan eiser een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde hiertegen beroep in, dat tevens diende als verzoek om schadevergoeding.
Tijdens de zitting op 2 juli 2025, waar eiser werd bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk aanwezig was, werd vastgesteld dat eiser geen bezwaren had tegen de maatregel zelf, maar hoopte op een spoedige overdracht naar Frankrijk. Verweerder stelde dat de maatregel noodzakelijk was vanwege een concreet aanknopingspunt voor overdracht volgens de Dublinverordening en het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken.
De rechtbank constateerde dat de rechtmatigheid van de maatregel niet werd betwist en dat verweerder voortvarend werkte aan de overdracht, zoals blijkt uit een terugnameverzoek aan Franse autoriteiten en een vertrekgesprek met eiser. Ambtshalve toetsing van de maatregel leidde tot het oordeel dat deze niet onrechtmatig was geweest.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.