Eiser, van Algerijnse nationaliteit, werd op 12 juli 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege een concreet aanknopingspunt voor overdracht volgens de Dublinverordening en een significant risico op onttrekking aan toezicht.
De minister motiveerde de bewaring met zware gronden zoals het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen en onvoldoende medewerking aan identiteit vaststellen, en lichte gronden zoals het ontbreken van vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan. De rechtbank oordeelde dat deze gronden samen voldoende waren om de bewaring te dragen.
Eiser stelde medische klachten en psychiatrische hulpbehoefte, maar de minister had dit betrokken bij de beslissing en gewezen op adequate medische zorg in detentie. De rechtbank vond geen aanwijzingen dat de bewaring onevenredig bezwarend was.
De bewaring werd op 22 juli 2025 opgeheven en eiser is overgedragen aan Duitsland. De rechtbank vond de gang van zaken voortvarend en oordeelde dat er geen zicht ontbrak op overdracht. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding werden daarom afgewezen.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter M. Munsterman en griffier M.A. Postma en is openbaar gemaakt op 31 juli 2025.