ECLI:NL:RBDHA:2025:14166

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juli 2025
Publicatiedatum
31 juli 2025
Zaaknummer
NL25.24924
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.L.M. Steinebach - de Wit
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 30 lid 1 Vreemdelingenwet 2000Dublinverordening artikel 17Artikel 3 EVRMArtikel 4 EU Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublin Duitsland

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen. De minister baseert dit op de Dublinverordening, die bepaalt dat de lidstaat die verantwoordelijk is voor de asielaanvraag deze moet behandelen. Nederland heeft Duitsland als verantwoordelijke lidstaat aangewezen en een verzoek tot terugname gedaan, dat door Duitsland is aanvaard.

Eiser betoogt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet geldt vanwege incidenten in Duitse opvangvoorzieningen en schendingen van het Vluchtelingenverdrag, waaronder grenscontroles die asielzoekers belemmeren. Hij stelt ook dat hij geen adequate toegang tot de rechter en rechtsbijstand in Duitsland heeft gehad. De rechtbank oordeelt echter dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State recentelijk heeft bevestigd dat het vertrouwensbeginsel voor Duitsland nog steeds geldt en dat eiser onvoldoende concrete aanwijzingen heeft geleverd dat overdracht aan Duitsland een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 EU Pro Handvest inhoudt.

Verder wijst de rechtbank erop dat de artikelen waarop eiser zich beroept betrekking hebben op oudere incidenten en niet op de situatie van Dublinterugkeerders. Het beroep op indirect refoulement faalt eveneens omdat de rechtbank niet mag toetsen aan het non-refoulementbeginsel zonder aanwijzingen voor systeemfouten in Duitsland. Ook het betoog dat de minister artikel 17 van Pro de Dublinverordening had moeten toepassen wordt verworpen wegens gebrek aan bijzondere individuele omstandigheden.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de minister eiser aan Duitsland mag overdragen. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter Steinebach - de Wit en griffier Berendsen en is in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2025.

Uitkomst: Het beroep van eiser is ongegrond verklaard en het besluit om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.24924

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juli 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E. Ceylan),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 2 juni 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
Mag de minister voor Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eiser betoogt dat ten aanzien van Duitsland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser stelt onder verwijzing naar verschillende nieuwsartikelen dat in Duitsland veel incidenten hebben plaatsgevonden, waardoor niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. [3] Daarnaast stelt eiser dat Duitsland zich niet houdt aan het Vluchtelingenverdrag omdat Duitsland grenscontroles houdt, waardoor vreemdelingen worden belet asiel te kunnen aanvragen. Ter onderbouwing hiervan wijst eiser op een aantal artikelen. [4] Ondanks dat de Duitse rechter deze handelswijze onrechtmatig acht, houden de Duitse autoriteiten zich hier niet aan, aldus eiser. Verder betoogt eiser dat hij gedurende zijn verblijf geen adequate toegang tot de rechter en evenmin rechtsbijstand heeft gekregen.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat hij voor Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft op 8 november 2023 [5] geoordeeld dat voor Duitsland nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De Afdeling heeft dit oordeel bevestigd in de uitspraken van 11 september 2024 [6] en 14 februari 2025. [7] De Afdeling heeft in die uitspraken geoordeeld dat de situatie die in het AIDA-rapport over Duitsland (update 2023) naar voren komt, geen ander beeld geeft van de situatie in Duitsland dan in eerdere rapporten is weergegeven en die reeds is meegenomen in de beoordeling door de Afdeling. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat het asiel- en opvangsysteem in Duitsland dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het EU Handvest. Eiser is hier niet in geslaagd. De enkele stelling dat sprake is van veel incidenten in de Duitse opvangvoorzieningen, is daarvoor onvoldoende. Eiser heeft verder geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht waaruit volgt dat overdracht aan Duitsland in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het EU Handvest. Ook in eisers geval is niet gebleken dat Duitsland zijn verplichtingen niet nakomt. Er zijn geen aanknopingspunten voor de conclusie dat eiser bij terugkeer naar Duitsland geen toegang meer heeft tot opvang en voorzieningen. De stelling van eiser dat hij tijdens zijn verblijf geen adequate toegang tot de rechter dan wel rechtsbijstand heeft gekregen, is niet onderbouwd. Mocht eiser problemen ervaren in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Duitsland dan ligt het op de weg van eiser om daarover te klagen bij de Duitse autoriteiten. Het is niet gebleken dat klagen bij de Duitse autoriteiten bij voorbaat zinloos is.
5.2.
De artikelen, waar eiser op wijst, kunnen niet leiden tot de conclusie dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De artikelen gaan namelijk over incidenten in Duitse opvangvoorzieningen die dateren vóór de hiervoor genoemde Afdelingsuitspraken. De artikelen van Duitslandweb, waar eiser op wijst, kunnen ook niet leiden tot de conclusie dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Deze artikelen gaan namelijk alleen over asielzoekers die naar Duitsland komen en niet over de situatie van Dublinterugkeerders, zoals eiser. Alleen al om die reden kan dit betoog niet slagen.
Is een overdracht in strijd met het verbod op indirect refoulement?
6. Eiser betoogt dat zijn overdracht aan Duitsland een (indirect) risico op refoulement zal opleveren omdat Duitsland een nieuwe wet heeft aangenomen waarin het makkelijker wordt om asielzoekers uit te zetten. [8]
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de uitspraken van het Hof van Justitie van 30 november 2023 [9] en de Afdeling van 12 juni 2024 [10] volgt dat de rechtbank niet mag onderzoeken of er in de andere lidstaat, die is aangewezen als verantwoordelijke lidstaat, een risico op schending van het beginsel van non-refoulement bestaat, wanneer er geen sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in die lidstaat. Zoals de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld (zie onder 5.1), is hiervan geen sprake. Dit betekent dat de rechtbank niet mag onderzoeken of overdracht aan Duitsland een (indirect) risico op schending van het beginsel van non-refoulement inhoudt. Dit moet in Duitsland worden beoordeeld.
Had de minister eisers asielverzoek in behandeling moeten nemen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening?
7. Eiser betoogt dat, alles separaat en in samenhang bezien, de minister ten onrechte, geen aanleiding heeft gezien om toepassing te geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
7.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat hij de asielaanvraag niet op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening onverplicht aan zich had moeten trekken omdat niet is gebleken dat de overdracht van eiser aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden. Dit heeft eiser onvoldoende gedaan.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de minister hem aan Duitsland mag overdragen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach - de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Berendsen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Zie bijvoorbeeld:
5.ABRvS 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4107.
6.ABRvS 11 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3661.
7.ABRvS 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:575.
9.Hof van Justitie, 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934.
10.ABRvS 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.