In deze zaak heeft eiseres, vertegenwoordigd door haar gemachtigde mr. F. Engelbertink, beroep ingesteld tegen de minister van Asiel en Migratie wegens het niet tijdig beslissen op haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis. De rechtbank had eerder, op 20 november 2024, bepaald dat de minister binnen veertien dagen na verzending van die uitspraak moest beslissen op de aanvraag. Eiseres stelt dat de minister deze termijn heeft overschreden, waardoor zij nu beroep instelt.
De rechtbank heeft in overweging genomen dat het niet nodig is om partijen uit te nodigen voor een zitting. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van griffierecht, wat door de rechtbank is verleend. De rechtbank wijst het verzoek van de minister om aanhouding van de behandeling van het beroep af, omdat dit de prikkel voor de minister zou wegnemen om snel te beslissen.
De rechtbank concludeert dat de minister niet binnen de gestelde termijn heeft beslist, waardoor het beroep gegrond is. De rechtbank legt de minister een termijn van twee weken op om alsnog een besluit te nemen en verbindt hieraan een dwangsom van € 250,- per dag voor elke dag dat de termijn wordt overschreden, met een maximum van € 37.500,-. Tevens wordt de minister veroordeeld in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 453,50. De uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka en is openbaar gemaakt op 23 juli 2025.