ECLI:NL:RBDHA:2025:13839

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 juli 2025
Publicatiedatum
28 juli 2025
Zaaknummer
NL25.20599
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Y. Yeniay - Cenik
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Artikel 4 EU-Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag.

De rechtbank heeft het beroep op 26 juni 2025 behandeld en beoordeelt dat de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat Duitsland de relevante EU-richtlijnen niet naleeft of dat er sprake is van een reëel risico op indirect refoulement.

Daarnaast is het beroep op toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening, dat bijzondere individuele omstandigheden betreft, niet geslaagd. De medische en psychische klachten van eiser zijn onvoldoende onderbouwd en het ontbreken van passende zorg in Duitsland is niet aannemelijk gemaakt.

De rechtbank concludeert dat het besluit van 2 mei 2025 in stand kan blijven en verklaart het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.20599

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juli 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. G. Douma).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 2 mei 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL25.20600), op 26 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
Mag de minister voor Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eiser betoogt dat hij bij terugkeer naar Duitsland een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 4 van Pro het EU-Handvest. Er zijn namelijk concrete aanwijzingen dat Duitsland de Opvang- Kwalificatie- en/of Procedurerichtlijn in geval van eiser niet naleeft. Hierdoor kan niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan.
5.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister mag voor Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, zoals ook geoordeeld door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). [2] Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hier niet meer van uit kan worden gaan. Het betoog van eiser dat hij gedwongen is om zijn asielaanvraag in te trekken, is hiervoor onvoldoende. Hierbij wijst de rechtbank erop dat eiser heeft verklaard dat hij zelf zijn procedure in Duitsland heeft stopgezet. [3] Het betoog van eiser dat de minister nader onderzoek had moeten doen naar de asielprocedure van eiser in Duitsland, volgt de rechtbank daarom ook niet. Daarnaast kan eiser, als hij van mening is dat de richtlijnen in Duitsland niet of onvoldoende worden toegepast, hierover klagen bij de Duitse autoriteiten. Het is niet gebleken dat voor eiser deze mogelijkheid niet bestaat. Verder heeft eiser nog betoogd dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet ondeelbaar is. In dat kader wijst de rechtbank op het arrest X waarin het Hof heeft geoordeeld dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel wel deelbaar is. [4]
Had de minister artikel 17 van Pro de Dublinverordening moeten toepassen?
6. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende gemotiveerd heeft waarom geen toepassing is gegeven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De persoonlijke omstandigheden van eiser zijn namelijk onvoldoende onderzocht en heeft de minister ongemotiveerd naast zich neergelegd. Daarnaast zal eiser door de Duitse autoriteiten onder druk worden gezet om terug te keren naar Armenië, waarmee dus sprake is van een risico op indirect refoulement.
Bijzondere, individuele omstandigheden
6.1.
De minister kan artikel 17 van Pro de Dublinverordening toepassen als in het specifieke geval sprake is van zodanige bijzondere individuele omstandigheden, waardoor een overdracht leidt tot onevenredige hardheid. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat in geval van eiser hiervan geen sprake is. Eiser heeft in dit kader aangevoerd dat hij last heeft van epileptische aanvallen en dat hij in Armenië traumatische ervaringen heeft gehad, waardoor hij psychische klachten heeft. De minister heeft er op de zitting niet ten onrechte op gewezen dat deze klachten niet onderbouwd zijn met stukken. Daarnaast mag de minister, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, ervan uitgaan dat Duitsland dezelfde medische voorzieningen kent als Nederland. Eiser heeft in dit kader aangevoerd dat hij in Duitsland geen passende zorg heeft gekregen, waarbij hij heeft gewezen op het Paposhvili-arrest. [5] Eiser werd namelijk niet serieus genomen door de psycholoog in Duitsland. Naar het oordeel van de rechtbank is dit onvoldoende om te oordelen dat geen passende zorg wordt of kan worden geboden in Duitsland. Hoewel het vervelend is dat eiser het gevoel heeft dat hij niet serieus is genomen door de psycholoog, kan hieruit niet de conclusie worden getrokken dat in Duitsland geen passende zorg kan worden geboden. Daarbij is het aan eiser om over eventuele problemen te klagen bij de Duitse autoriteiten.
Indirect refoulement
6.2.
Het door de vreemdeling gestelde risico op indirect refoulement bij overdracht aan Duitsland kan niet binnen de kaders van deze Dublinprocedure beoordeeld worden. Hij heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat het voor hem niet mogelijk is om zijn vrees voor refoulement in Duitsland aan te kaarten. [6]
Conclusie
6.3.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich, gelet op voorgaande, voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de asielaanvraag van eiser niet op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in behandeling wordt genomen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit van 2 mei 2025 in stand kan blijven. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van
mr.K.H.M.M. Otten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.ABRvS 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1902.
3.Pagina 6, verslag aanmeldgehoor van 7 april 2025.
4.HvJEU 29 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:195.
5.EHRM 13 december 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD00417381, Paposhvili t. België.
6.Zie ABRvS 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359 en HvJEU van 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934.