ECLI:NL:RBDHA:2025:13838

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 juli 2025
Publicatiedatum
28 juli 2025
Zaaknummer
NL25.18708
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • Y. Yeniay - Cenik
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting in vreemdelingenzaak vanwege nieuw medisch advies

Verzoeker heeft een aanvraag voor uitstel van vertrek ingediend op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, welke door de minister is afgewezen. Na bezwaar en een bestreden besluit bleef de minister bij zijn standpunt. Verzoeker stelde beroep in en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening zodat hij de behandeling van het beroep in Nederland kan afwachten.

De behandeling van het beroep werd aangehouden op verzoek van de minister, die nieuw medisch advies (BMA-advies) liet opstellen. De minister stelde zich niet te verzetten tegen de voorlopige voorziening dat verzoeker niet wordt uitgezet totdat op het beroep is beslist.

De voorzieningenrechter oordeelde dat op grond van de Awb onverwijlde spoed en belangenafweging een voorlopige voorziening rechtvaardigen. Gezien het ontbreken van verzet van de minister en de nieuwe medische informatie, werd het verzoek toegewezen. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €907 aan verzoeker. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Verzoeker mag de behandeling van het beroep in Nederland afwachten en wordt niet uitgezet totdat op het beroep is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.18708

uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 juli 2025 in de zaak tussen

[verzoeker], v-nummer: [nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. D.W. Beemers),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

1. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 28 maart 2024 afgewezen. Verzoeker heeft daartegen bezwaar gemaakt en met het bestreden besluit van 18 april 2025 is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.1.
Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld (zaaknummer NL25.18707) en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen zodat hij de behandeling van het beroep in Nederland mag afwachten.
1.2.
De behandeling van het beroep stond gepland op de zitting van 3 juli 2025. De minister heeft op 26 juni 2025 verzocht om aanhouding van de behandeling van het beroep. Gedurende de beroepsprocedure is nieuwe medische informatie overgelegd waardoor de minister aanleiding heeft gezien een nieuw BMA [1] -advies te laten opstellen.
1.3.
De rechtbank heeft bij brief van 1 juli 2025 het verzoek om aanhouding toegewezen.
1.4.
Bij brief van 14 juli 2025 heeft de minister desgevraagd aangegeven zich niet te verzetten tegen de toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening, voor zover dit ziet op het niet uitzetten van verzoeker totdat er een beslissing is genomen op het beroepschrift.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.1.
Artikel 8:83, derde lid, van de Awb bepaalt dat de voorzieningenrechter uitspraak kan doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, indien hij kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is. De reactie van de minister van 14 juli 2025 brengt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat van een dergelijke situatie sprake is.
3. Nu de minister zich niet verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorziening en de voorzieningenrechter ook overigens geen beletselen ziet om deze toe te wijzen, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toewijzen.

Conclusie en gevolgen

4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat verzoeker de behandeling van het beroep in Nederland mag afwachten totdat op het beroep is beslist.
4.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, krijgt verzoeker ook en vergoeding van zijn proceskosten. De proceskosten wegens verleende rechtsbijstand worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 907,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1)
4.2.
Omdat verzoeker is vrijgesteld van het betalen van griffierecht, bestaat er geen aanleiding om de minister op te dragen verzoeker het griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek toe;
- treft de voorlopige voorziening dat verzoeker niet mag worden uitgezet totdat op het beroep is beslist;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Bureau Medische Advisering.