In deze zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen de minister van Asiel en Migratie, omdat de minister niet tijdig heeft beslist op zijn aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf als familie- of gezinslid in het kader van nareis. De rechtbank had in een eerdere uitspraak op 20 september 2024 bepaald dat de minister uiterlijk binnen twintig weken na verzending van die uitspraak moest beslissen. Eiser stelt dat de minister deze termijn heeft overschreden, waardoor hij beroep heeft ingesteld. De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, ondanks het ontbreken van een ingebrekestelling, omdat er een uitdrukkelijke termijn was gesteld door de rechtbank.
De rechtbank constateert dat de minister niet binnen de gestelde termijn een besluit heeft genomen en verklaart het beroep gegrond. De rechtbank legt de minister een termijn van twee weken op om alsnog een besluit te nemen. Tevens wordt er een dwangsom van € 250,- per dag opgelegd voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,-. Eiser krijgt ook een vergoeding voor de proceskosten van € 453,50, omdat hij een professionele juridische hulpverlener heeft ingeschakeld. De uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka en is openbaar gemaakt op 27 juni 2025.