ECLI:NL:RBDHA:2025:13744
Rechtbank Den Haag
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Vaststelling van staatloosheid van verzoekers en minderjarigen uit Palestijnse Gebieden
Verzoekers, afkomstig uit de Palestijnse Gebieden en woonachtig in Nederland, hebben een verzoek ingediend tot vaststelling van hun staatloosheid. De rechtbank heeft het verzoekschrift en de bijbehorende stukken, waaronder documenten van de IND en officiële paspoorten, bestudeerd. Verzoekers en minderjarigen zijn geboren in Gaza en beschikken over Palestijnse paspoorten en een familie registratiekaart van UNRWA.
De rechtbank baseert haar oordeel op artikel 2 van Pro de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid (2023). Uit het onderzoek blijkt dat volgens de wetgeving van de Palestijnse Gebieden (artikel 27 van Pro de wet voor algemene verkiezingen 2007) personen geboren in Gaza Palestijns zijn. Nederland erkent de Palestijnse nationaliteit echter niet, waardoor deze personen voor Nederland als staatloos gelden.
Daarnaast is onderzocht of verzoeker de Zweedse nationaliteit bezit, mede vanwege het Schengenvisum afgegeven door Zweden. De rechtbank concludeert dat verzoeker geen banden heeft die tot het verkrijgen van de Zweedse nationaliteit leiden. Daarom wordt vastgesteld dat verzoekers en de minderjarigen niet als onderdanen van enige staat worden beschouwd en derhalve staatloos zijn.
De rechtbank wijst het verzoek toe, wijst uitvoerbaarverklaring bij voorraad af en bepaalt dat iedere partij haar eigen proceskosten draagt.
Uitkomst: De rechtbank stelt vast dat verzoekers en minderjarigen staatloos zijn.