Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister op 22 april 2025 niet in behandeling is genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk wordt geacht voor de behandeling. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om de overdracht aan Frankrijk te voorkomen totdat het beroep is behandeld.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek samen met een vergelijkbare zaak op 22 juli 2025 en sloot het onderzoek op 25 juli 2025. Gelet op de spoedeisendheid en het belang van verzoeker om de uitkomst van het beroep in Nederland af te wachten, en het belang van de minister om overdracht mogelijk te maken, maakte de rechter een belangenafweging.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het niet toestaan van de voorlopige voorziening zou leiden tot een onomkeerbare situatie, omdat de overdrachtstermijn zou verlopen. Daarom werd het verzoek toegewezen, het bestreden besluit geschorst en bepaald dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Frankrijk totdat op het beroep is beslist. Tevens werd de minister veroordeeld in de proceskosten van verzoeker.