Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:13615

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 mei 2025
Publicatiedatum
24 juli 2025
Zaaknummer
NL25.20377
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen overdracht asielzoeker aan Duitsland toegewezen

Verzoeker heeft tegen het besluit van 2 mei 2025, waarbij zijn asielaanvraag niet in behandeling werd genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is, beroep ingesteld. Hij verzocht om een voorlopige voorziening om overdracht aan Duitsland te voorkomen totdat de rechtbank uitspraak doet.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er sprake is van onverwijlde spoed omdat de overdracht uiterlijk 29 mei 2025 moet plaatsvinden, terwijl de zitting gepland staat op 22 mei 2025 en onzeker is of de uitspraak voor die datum volgt. Daarom wordt het verzoek om schorsing van de overdracht toegewezen.

Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten van €907 aan de gemachtigde van verzoeker. De uitspraak is gedaan zonder zitting en staat geen hoger beroep of verzet tegen open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en overdracht aan Duitsland wordt geschorst tot uitspraak op het beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.20377

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , V-nummer: [v-nummer] , verzoeker

(gemachtigde: mr. J-A. Nijland),
en

de Minister van Asiel en Migratie,

Procesverloop

Bij besluit van 2 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen [1] , omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep (NL25.20376) ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening (NL25.20377) te treffen, teneinde het bestreden besluit te schorsen, zodat verzoeker de uitspraak op het beroep in Nederland mag afwachten.
Verweerder heeft op 12 mei 2025 verzocht het verzoek om een voorlopige voorziening op korte termijn, het liefst zo snel mogelijk, te behandelen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als tegen een besluit beroep is ingesteld en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. [2]
3. Het verzoek strekt ertoe dat verzoeker gedurende de behandeling van zijn beroep niet aan Duitsland wordt overgedragen. De inhoudelijke behandeling van het beroep staat gepland op 22 mei 2025. De uiterste datum voor overdracht aan Duitsland is 29 mei 2025. Omdat onzeker is of de rechtbank vóór die datum uitspraak kan doen, er zodoende sprake is van onverwijlde spoed en eiser er belang bij heeft de behandeling van zijn beroep in Nederland te mogen afwachten, zal de voorzieningenrechter dit verzoek als kennelijk gegrond toewijzen. Dit betekent dat verzoeker in ieder geval niet aan Duitsland mag worden overgedragen totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep tegen het bestreden besluit (NL25.20376).

Conclusie en gevolgen

4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Er bestaat in dit geval aanleiding om verweerder in te proceskosten te veroordelen. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpr) vast op een bedrag van € 907,-
(1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 907,-, wegingsfactor 1). Verweerder dient dit bedrag te betalen aan de gemachtigde van verzoeker.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
-wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Duitsland totdat is beslist op het beroep met zaaknummer NL25.20376;
-veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van J. Dommerholt, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Dat staat in artikel 8:81 van Pro de Awb.