Eiseres, een Nigeriaanse vreemdeling, werd op 7 juni 2025 door de minister van Asiel en Migratie in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw). De minister motiveerde de bewaring met het risico dat eiseres zich aan toezicht zou onttrekken, onder meer omdat zij zich eerder aan toezicht had onttrokken, geen vaste verblijfplaats had en onvoldoende middelen van bestaan beschikte.
De rechtbank behandelde het beroep op 18 juli 2025. Eiseres weigerde te verschijnen in de telehoorruimte en tekende een afstandsverklaring. De rechtbank oordeelde dat de staandehouding op basis van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf rechtmatig was. De asielaanvraag van eiseres was buiten behandeling gesteld, en zij had een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd gekregen, waar zij geen gehoor aan gaf.
De rechtbank vond de zware gronden (onttrekking aan toezicht en niet opvolgen vertrekplicht) en lichte gronden (geen vaste woonplaats, onvoldoende middelen) feitelijk juist en voldoende voor de bewaring. Eiseres weigerde medewerking aan vertrekgesprekken, waardoor het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn niet ontbrak. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding werden ongegrond verklaard.