ECLI:NL:RBDHA:2025:13346

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juli 2025
Publicatiedatum
22 juli 2025
Zaaknummer
NL25.29813
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 sub a Vw 2000Art. 96 lid 1 Vw 2000Art. 8.5 Procesreglement bestuursrecht rechtbanken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortduren maatregel bewaring vreemdeling zonder zicht op uitzetting

In deze bestuursrechtelijke zaak beoordeelt de rechtbank Den Haag het beroep van eiser tegen het voortduren van een maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was opgelegd op 8 februari 2025 en was reeds tweemaal eerder door de rechtbank getoetst, waarbij de rechtmatigheid werd bevestigd.

Na het sluiten van het vooronderzoek op 10 juli 2025 heeft eiser nog een aanvullende reactie ingediend, maar de rechtbank heeft deze buiten beschouwing gelaten omdat eiser voldoende gelegenheid had zijn gronden naar voren te brengen. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft gereageerd op de voortgangsrapportage van de minister.

Eiser stelde dat de bewaring onrechtmatig en onzorgvuldig was, dat er geen zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn en dat een redelijke belangenafweging ontbrak. De rechtbank volgt deze stellingen niet, mede omdat uit de voortgangsrapportage blijkt dat de aanvraag van een laissez-passer bij de Marokkaanse autoriteiten nog loopt en dat de minister meerdere malen heeft gerappelleerd.

De rechtbank concludeert dat er geen omstandigheden zijn die het voortduren van de bewaring onrechtmatig maken en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard omdat de maatregel rechtmatig is en er zicht is op uitzetting.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.29813

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2025 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. G.P. Dayala),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het voortduren van de aan hem opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Deze maatregel is opgelegd op 8 februari 2025.
1.1.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring twee keer eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 25 februari 2025. [1] Op het eerste vervolgberoep is beslist bij uitspraak van 6 mei 2025. [2]
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hier niet op gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 10 juli 2025 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting zal worden behandeld.
1.4.
Na het sluiten van het vooronderzoek heeft eiser nog een aanvullende reactie ingediend.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is. Zij doet dat onder meer aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de zogenoemde beroepsgronden.
3. Het beroep is ongegrond. Het voorduren van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsingskader
4. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, dan verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
5. Uit de uitspraak van 6 mei 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 2 mei 2025) rechtmatig is.
Reactie na het sluiten van het vooronderzoek
6. De rechtbank ziet in wat eiser na het sluiten van het onderzoek heeft aangevoerd geen aanleiding om het onderzoek te heropenen. De rechtbank kan op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000 het vooronderzoek sluiten en zonder toestemming van partijen bepalen dat een zitting achterwege blijft. De rechtbank vindt dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad zijn gronden naar voren te brengen en ziet geen reden waarom – na de gegeven termijn van twee werkdagen [3] – eiser hiertoe nogmaals in de gelegenheid moet worden gesteld. Om die reden zal de rechtbank deze reactie buiten beschouwing laten.
Beroepsgronden
7. De rechtbank stelt vast dat eiser niet binnen twee werkdagen – na overlegging van de voortgangsrapportage door de minister – heeft gereageerd op de voortgangsrapportage.
8. In het beroepschrift van 7 juli 2025 voert eiser aan dat de maatregel van bewaring onrechtmatig en onzorgvuldig is, er geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn en dat een redelijke belangenafweging ontbreekt. In het licht van de stukken in het dossier (de voortgangsrapportage), kan de rechtbank deze blote stellingen niet volgen. De rechtbank stelt vast dat de beroepsgrond over de redelijke belangenafweging in het eerdere beroep ook is aangevoerd en getoetst. [4] Eiser heeft verder geen belangen aangevoerd die volgens hem ertoe moeten leiden dat de bewaring wordt opgeheven. Verder is niet gebleken van omstandigheden naar aanleiding waarvan de bewaring niet langer zou kunnen voortduren.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat zicht op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn ontbreekt. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat een laissez-passer (lp) aanvraag bij de Marokkaanse autoriteiten nog loopt. De rechtbank is niet gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten te kennen hebben gegeven dat zij ten behoeve van eiser geen lp zullen afgeven of dat zij niet willen meewerken aan de terugkeerprocedure. Daarnaast blijkt uit de voortgangsrapportage dat de minister op 21 mei en 12 juni 2025 en voor het laatst op 7 juli 2025 heeft gerappelleerd.
Overigens kan ook niet worden gezegd dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig dan wel onzorgvuldig was.
Ambtshalve toetsing
9. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [5]

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Rashid, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

3.Dit volgt uit artikel 8.5 van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken.
5.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.