ECLI:NL:RBDHA:2025:13292

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 juli 2025
Publicatiedatum
22 juli 2025
Zaaknummer
25/3661
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbWet arbeid en zorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen beëindiging Ziektewet-uitkering wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen de beëindiging van zijn Ziektewet-uitkering per 26 december 2024, omdat hij meer dan 65% van zijn oude loon kan verdienen. Hij stelt dat hij sinds mei 2025 geen inkomen heeft en dat het inkomen van zijn zwangere echtgenote de enige bron van inkomsten is. Verzoeker vreest dat dit inkomen wegvalt bij ziekte of zwangerschapsverlof van zijn echtgenote.

De voorzieningenrechter heeft verzoeker verzocht het spoedeisend belang nader te onderbouwen, onder meer door aan te geven of een bijstandsaanvraag is gedaan. Verzoeker heeft hier niet op gereageerd binnen de gestelde termijn. Verweerder stelt dat het spoedeisend belang ontbreekt omdat geen aanvraag bijstand is ingediend.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het inkomen van de echtgenote niet wegvalt tijdens zwangerschapsverlof, mede vanwege de Wet arbeid en zorg. Er is geen onomkeerbare situatie of acute financiële nood aangetoond. Daarom ontbreekt het spoedeisend belang en is het verzoek kennelijk ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af zonder proceskostenveroordeling. Deze uitspraak is bindend voor de voorlopige fase en staat geen hoger beroep of verzet tegen open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen beëindiging van de Ziektewet-uitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/3661

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 juli 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. Ö. Arslan),
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen,verweerder,
(gemachtigde: J.S. de Vreeze).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de beëindiging van de uitkering die hij op grond van de Ziektewet (ZW) ontving. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2.
Verweerder heeft in de brief van 25 november 2024 meegedeeld dat de ZW-uitkering van verzoeker per 26 december 2024 wordt beëindigd omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Verzoeker heeft hiertegen op 5 december 2024 bezwaar gemaakt.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
3. Verzoeker voert aan dat sprake is van een dreigend verlies aan inkomen. Hij beschikt sinds mei 2025 over geen enkel inkomen. Het inkomen dat zijn zwangere echtgenote uit haar parttime baan verdient is de enkele bron van inkomsten waar zijn gezin momenteel over beschikt. Verzoeker geeft aan dat dit inkomen wegvalt wanneer zij zich ziek moet melden als gevolg van de klachten die zij wegens haar zwangerschap ervaart of wanneer zij met zwangerschapsverlof gaat. Hij verzoekt de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening te treffen om de basisbehoeften van zijn gezin de komende maanden te kunnen dekken.
4. De voorzieningenrechter heeft verzoeker in de brief van 13 juni 2025 verzocht om (zo mogelijk) met stukken te onderbouwen dat sprake is van een spoedeisend belang. Hierbij is ook gevraagd of verzoeker kan aangeven of hij al een bijstandsaanvraag heeft gedaan en, zo nee, waarom niet. Hierop heeft de gemachtigde van verzoeker gereageerd dat hij zich als advocaat stelt in de procedure en is verzocht om uitstel voor de nadere onderbouwing van het spoedeisend belang. Dit uitstel is verleend, maar de gestelde termijn is inmiddels verstreken zonder dat er een reactie van verzoeker is ontvangen.
5. Verweerder is van mening dat het spoedeisend belang ontbreekt, omdat uit de stukken niet blijkt dat verzoeker een aanvraag voor een bijstandsuitkering heeft ingediend.
6. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker ook desgevraagd door de voorzieningenrechter in het geheel niet heeft onderbouwd dat sprake is van een spoedeisend belang. Zijn echtgenote ontvangt een inkomen uit haar parttime baan. Zelfs indien zij zich ziek zou moeten melden of met zwangerschapsverlof gaat, betekent dit niet dat haar inkomen wegvalt. Niet is gebleken dat het inkomen van de echtgenote gedurende het zwangserschapsverlof niet zou worden doorbetaald; de Wet arbeid en zorg biedt daarvoor een voorziening.

Conclusie en gevolgen

7. De conclusie is dat er geen enkel spoedeisend belang is. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van S.I. Teunissen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.