ECLI:NL:RBDHA:2025:13181

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juli 2025
Publicatiedatum
21 juli 2025
Zaaknummer
NL25.28526 en NL25.28527
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van het beroep tegen het niet in behandeling nemen van een asielaanvraag op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en artikel 17 van de Dublinverordening

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 22 juli 2025, wordt het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd beoordeeld. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser in deze zaak behandeld. Eiser, die stelt de Oezbeekse nationaliteit te hebben, heeft zijn aanvraag ingediend, maar deze is door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling van de aanvraag.

De rechtbank heeft geen zitting gehouden, omdat het beroep kennelijk ongegrond is. Eiser heeft aangevoerd dat hij niet kan worden overgedragen aan Duitsland, omdat hij daar slachtoffer is geweest van geweld en discriminatie, wat heeft geleid tot psychische problemen. De rechtbank oordeelt echter dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de situatie in Duitsland zodanig is dat hij een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

De rechtbank concludeert dat verweerder zich op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mocht baseren en dat er geen aanleiding was om de asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening onverplicht aan zich te trekken. De beroepsgronden van eiser slagen niet, en de rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard, en eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.28526 en NL25.28527
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. M. Erik),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 26 juni 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. [1] Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Oezbeekse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1976. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. De gemachtigde van eiser verzoekt ten eerste al hetgeen namens hem naar voren is gebracht hier als herhaald en ingelast te beschouwen. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte oordeelt dat hij kan worden overgedragen aan Duitsland. In de zienswijze heeft eiser aangevoerd dat ten aanzien van Duitsland onder verwijzing naar het AIDA-rapport niet meer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder reageert hierop door te verwijzen naar de verschillende uitspraken zonder specifiek in te gaan op hetgeen in de zienswijze is gesteld. Verweerder heeft daardoor het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd en er is niet zorgvuldig beslist. Verweerder heeft bovendien ten onrechte de naar voren gebrachte omstandigheden niet met elkaar in samenhang, maar afzonderlijk beoordeeld, wat eveneens leidt tot een motiveringsgebrek. Eiser stelt tenslotte dat sprake is van individuele, bijzondere omstandigheden, in de zin van artikel 17 van de Dublinverordening, die onvoldoende zijn beoordeeld. Eiser is van mening dat hij kwetsbaar is vanwege zijn ervaringen in Duitsland, omdat hij daar slachtoffer is geweest van geweld, slechte opvangvoorzieningen en discriminatie en hierdoor psychische problemen heeft ervaren.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Herhaald en ingelast
5. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser eerder en in de zienswijze naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM [2] of artikel 4 van het Handvest [3] . Om onder de tekortkomingen van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest te vallen, moeten deze een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt, hangt af van de omstandigheden van het geval.
6.1
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd om het voorgaande aannemelijk te maken. De hoogste bestuursrechter [4] heeft in haar uitspraak van 8 november 2023 [5] geoordeeld dat ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan. De rechtbank overweegt in dat kader dat Duitsland, net als Nederland, onder meer partij is bij het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en de richtlijnen van de Europese Unie op het gebied van asielrecht. De situatie in Duitsland zoals die in de AIDA-rapporten over 2023 en 2024 naar voren komt, schetst in essentie geen ander beeld van de situatie in Duitsland dan in eerdere rapporten is weergegeven en die reeds zijn meegenomen in de beoordeling door de hoogste bestuursrechter. [6]
6.2
Verder mag van eiser worden verwacht dat hij zich bij voorkomende problemen in de Duitse opvangvoorzieningen of anderszins beklaagt bij de (hogere) Duitse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die mogelijkheid er voor hem niet is of dat de Duitse autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen, dan wel dat het inroepen van hulp bij voorbaat zinloos is. Verweerder mocht dan ook uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Artikel 17 van de Dublinverordening
7. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder in de door eiser aangevoerde individuele omstandigheden geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Bij deze bevoegdheid heeft verweerder veel beslissingsruimte. Daarom kan de rechtbank alleen terughoudend toetsen of verweerder goed heeft gemotiveerd waarom hij in dit geval niet van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. De rechtbank overweegt dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat er geen aanleiding bestaat om de asielaanvraag van eiser in behandeling te nemen met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiser heeft zijn gestelde kwetsbaarheid, die het gevolg is van psychische problemen die hij in Duitsland heeft opgelopen niet nader met gronden of medische stukken onderbouwd. De grond slaagt niet.
7.1
Eisers stelling dat verweerder in het bestreden besluit niet specifiek ingaat op hetgeen in de zienswijze is gesteld, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft in het bestreden besluit – afzonderlijk en in samenhang – uitgebreid bij de verschillende onderdelen van zowel de zienswijze als het aanmeldgehoor stilgestaan, waarbij steeds voor zover relevant is ingegaan op eisers persoonlijke omstandigheden. Het bestreden besluit is zorgvuldig tot stand gekomen en deugdelijk gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

8. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
9. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [7] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, in aanwezigheid van K.A. Klarenbeek, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden
3.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
6.ECLI:RVS:2024:3661.
7.Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.