ECLI:NL:RBDHA:2025:13181
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het beroep tegen het niet in behandeling nemen van een asielaanvraag op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en artikel 17 van de Dublinverordening
In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 22 juli 2025, wordt het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd beoordeeld. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser in deze zaak behandeld. Eiser, die stelt de Oezbeekse nationaliteit te hebben, heeft zijn aanvraag ingediend, maar deze is door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling van de aanvraag.
De rechtbank heeft geen zitting gehouden, omdat het beroep kennelijk ongegrond is. Eiser heeft aangevoerd dat hij niet kan worden overgedragen aan Duitsland, omdat hij daar slachtoffer is geweest van geweld en discriminatie, wat heeft geleid tot psychische problemen. De rechtbank oordeelt echter dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de situatie in Duitsland zodanig is dat hij een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
De rechtbank concludeert dat verweerder zich op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mocht baseren en dat er geen aanleiding was om de asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening onverplicht aan zich te trekken. De beroepsgronden van eiser slagen niet, en de rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard, en eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.