Eiser, een Albanese vreemdeling, kreeg op 7 juli 2025 een maatregel van bewaring en een inreisverbod van twee jaar opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. De maatregel werd gebaseerd op het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou ontwijken, mede omdat hij na het indienen van een asielaanvraag met onbekende bestemming was vertrokken en zijn asielaanvraag buiten behandeling was gesteld.
Eiser betwistte de zware gronden voor de maatregel en stelde dat een lichter middel volstond, aangezien zijn paspoort in bezit was van de overheid. Ook stelde hij dat de overheid onvoldoende voortvarend handelde en dat het zicht op uitzetting ontbrak. De rechtbank oordeelde dat de zware gronden feitelijk juist waren en dat verweerder voldoende had gemotiveerd waarom een lichter middel niet doeltreffend was.
Verder concludeerde de rechtbank dat de overheid wel degelijk voortvarend handelde, met onder meer een positief bericht van de Officier van Justitie, een ingediende T&O-aanvraag bij de Albanese autoriteiten en een gepland vertrekgesprek met vluchtaanvraag. De rechtbank stelde vast dat het terugkeerbesluit van 3 december 2024 in rechte vaststaat en dat het risico op onttrekking voldoende is gemotiveerd.
De beroepen tegen de maatregel van bewaring en het inreisverbod werden ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.