ECLI:NL:RBDHA:2025:13129

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juli 2025
Publicatiedatum
18 juli 2025
Zaaknummer
NL25.29751
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 5.1b derde lid Vreemdelingenbesluit 2000Art. 5.1b vierde lid Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een Algerijnse vreemdeling tegen de maatregel van bewaring die door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd. De maatregel was gebaseerd op zware gronden, waaronder het ontbreken van een paspoort of visum en het risico op onderduiken. De eiser betwistte enkele gronden, maar de rechtbank oordeelde dat de zware gronden 3a en 3b feitelijk juist waren en voldoende waren om de maatregel te dragen.

Daarnaast stelde eiser dat de minister onvoldoende voortvarend had gehandeld door tijdens zijn strafrechtelijke detentie geen uitzettingshandelingen te verrichten. De rechtbank erkende dat de minister zijn inspanningsplicht had geschonden, maar vond dat dit niet leidde tot onrechtmatigheid van de maatregel, mede omdat na oplegging van de maatregel snel werd gehandeld met terugnameverzoeken, overdrachtsbesluiten en vertrekgesprekken.

De ambtshalve toetsing leidde niet tot een oordeel van onrechtmatigheid. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.29751

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2025 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. S.A.M. Fikken, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1977 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
Maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening [2] en een significant risico bestaat dat eiser zal onderduiken. Als zware gronden [3] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
  • 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
  • 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
  • 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
En als lichte gronden [4] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
  • 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
  • 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
  • 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser betwist zware grond 3d. Hiertoe voert hij aan dat deze grond niet relevant is bij een overdracht in het kader van de Dublinverordening. België heeft immers het terugnameverzoek geaccepteerd, zodat het meewerken aan de vaststelling van de identiteit en nationaliteit geen rol meer speelt.
4. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling [5] volgt dat voor het opleggen van onder meer de zware gronden 3a en 3b alleen is vereist dat deze gronden feitelijk juist zijn en dat verweerder daarop – als dat het geval is – geen nadere toelichting hoeft te geven. [6] De rechtbank is van oordeel dat verweerder in ieder geval terecht de zware gronden 3a en 3b aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Eiser beschikt immers niet over een paspoort of visum. Verder heeft hij nimmer melding gemaakt van zijn onrechtmatig verblijf. Deze zware gronden zijn feitelijk juist en voldoende om aan te nemen dat sprake is van een significant risico dat eiser zal onderduiken. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen. De overige gronden behoeven daarom geen bespreking meer.
Voortvarend handelen en inspanningsverplichting
5. Verder voert hij aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Eiser heeft voorafgaand aan de oplegging van de maatregel van bewaring in strafdetentie gezeten. Verweerder had tijdens de strafdetentie uitzettingshandelingen moeten verrichten. Nu dat niet is gebeurd, handelt verweerder onvoldoende voortvarend.
6. Uit paragraaf A5/6.12 van de Vc [7] volgt dat voorkomen moet worden dat vreemdelingen na hun strafrechtelijke detentie in bewaring worden gesteld. Hieruit volgt dat verweerder zich, in beginsel, gedurende de strafrechtelijke detentie van een vreemdeling moet inspannen om een vreemdeling aansluitend aan het einde van zijn detentie uit te zetten.
7. Niet in geschil is dat verweerder tijdens het strafrechtelijke traject geen inspanningen heeft geleverd. De rechtbank stelt daarom vast dat verweerder zijn inspanningsplicht heeft geschonden. In deze concrete procedure is de rechtbank van oordeel dat dit niet tot de conclusie leidt dat de daaropvolgende maatregel van bewaring van aanvang af onrechtmatig moet worden geacht. Hierbij acht de rechtbank van belang dat verweerder na de oplegging van de maatregel van bewaring sneller heeft gehandeld dan doorgaans het geval is. Zo heeft verweerder op 1 juli 2025 een terugnameverzoek gestuurd naar de Belgische autoriteiten en is dit op 4 juli 2025 aanvaard. Op 7 juli 2025 is een overdrachtsbesluit genomen en is op 9 juli 2025 de overdracht ingepland voor 16 juli 2025. Verder zijn op 3 juli 2025 en 10 juli 2025 vertrekgesprekken gevoerd met eiser. Hiermee heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ook voldoende voortvarend gehandeld.
Ambtshalve toets
8. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond; en
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 18 juli 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vw).
4.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
7.Vreemdelingencirculaire 2000.